Recensie

Ik trof mijn moeder op de overloop, waar ze stond te wegen en te meten of ze haar koffer voor zich uit dan wel achter zich aan de trap af moest sjouwen.

‘Natan, je knijpt me fijn.’ Als ik haar zo tegen me aan drukte, veerde haar lijf aangenaam mee. Ze was de laatste tijd wat molliger geworden, niet per se in haar nadeel. Ik legde de rug van mijn hand tegen haar wang. ‘Gloei jij even lekker.’ Een opvlieger. Ze voelde zelf aan haar gezicht. ‘Vroeger va-banque, tegenwoordig vapeur,’ zei ze. ‘Ik heb de pioengerechtigde leeftijd bereikt.’

Zo’n snel opkomende blos gaf haar iets jeugdigs terug. De nawerking van een compliment dat doel had getroffen. De gloed die een ondeugende gedachte verried. Mijn vader had haar er alleen de eerste keer mee geplaagd, toen nog niet tot hem wilde doordringen dat de overgang was ingetreden. ‘Je wordt rood, Bekka. Slecht geweten?’

‘Zeg dat nog eens, en ik zorg ervoor dat jij een slecht geweten krijgt.’ Dat speelde zich een paar jaar geleden af. ‘Als het je niet bevalt, Pat, dan gaan we doodleuk een minnaresje voor jou zoeken.’ Ze was inmiddels vierenvijftig, hij tweeënzestig. Het climacterium had bij haar een onregelmatig verloop. Soms zag ze er grauw en afgesloofd uit, zoals ik haar eigenlijk nooit gekend had. Dat waren nou juist de periodes dat de menstruatie terugkeerde, ‘zuinigjes en onberekenbaar’ volgens haar, en met nare bijverschijnselen als hoofd- en buikpijn. Toen de ovulatie eindelijk definitief voorbij leek, bloeide ze helemaal op, tot aan de pioenrode gloed toe. Ik kreeg de indruk, maar zei het natuurlijk niet hardop, dat de onderhuidse bloedstuwing zich niet tot de konen beperkte, en dat ze best wel weer eens zin had in een liefdesnacht, een korte desnoods.

Uit de slaapkamer achter haar klonk gedempt gevloek. Mijn vader zat geknield voor het bed, waar een grote nylon koffer op lag. Hij had zijn linkerarm onder het deksel geschoven en hield zo de stapeltjes kleren platgedrukt, onderwijl proberend met de andere hand de lange rits gesloten te krijgen. Telkens wanneer zijn vingers met de trekker bij de uitstekende elleboog aankwamen, werd Patrick gedwongen het goed los te laten – dat dan weer het deksel de hoogte in tilde. Hij steunde. ‘Ik wil helemaal niet naar China.’

Als Freud geen onzin verkondigde, en elk jongetje moest door een Oedipuscomplex heen, wat had ik dan gedaan om mijn vader ten val te brengen en mijn moeder voor me te winnen, het tweede eventueel als beloning voor het eerste?

‘Zelfs met schoenen aan nog een held op sokken.’ Iets ergers had ik Rebekka, althans in mijn bijzijn, nooit over haar man horen zeggen. Hij stond zwaar aangeschoten bovenaan de trap, vervaarlijk zwaaiend met zijn toen al te dikke lijf, en met de neuzen van zijn molières enkele centimeters over de rand van de overloop. Zijn veters hingen los. Mama en ik stonden helemaal beneden in de hal met de marmeren vloer. Halverwege maakten de treden een bocht. Patrick bukte zich, viel net niet voorover, en knielde toen neer om zijn veters te strikken. Hij kreeg het niet voor elkaar, en richtte zich weer op, en tastte met zijn voet naar de bovenste tree. De losse veter sidderde boven de rode loper.

‘Blijf staan, idioot,’ riep mama. ‘Je dondert zo naar beneden. ‘Natan komt je helpen.’ Ik was een jaar of zes, en klom snel en behendig als een berggeit langs de trap omhoog. Ik hoorde hem nog met gezwollen tong lispelen: ‘Vandaag aan de rand van de afgrond, morgen een stap verder. Altijd vooruit blijven denken.’

Half staand, half knielend op de bovenste treden strikte ik zijn veters. Bijna gaf ik toe aan de neiging om ze met elkaar te verknopen, zoals we dat op school een keer stiekem hadden gedaan bij een klasgenootje, dat daardoor lelijk zijn elleboog geschaafd had. Met aan elkaar geknoopte veters zou mijn vader in zijn toestand vrijwel zeker van de hoge trap gevallen zijn. De bocht had zijn tuimeling omlaag misschien kunnen breken, niet voorkomen.

Het was niet meer dan de onreine schaduw van een gedachte geweest, de snel ontweken speldenprik van een vuil plannetje. Ik maakte keurige lussen op de wreven van zijn schoenen, maar voelde me nog weken miserabel dat zo’n half voornemen, dat misschien wel mijn diepste verlangen verried, bij me op had kunnen komen.

Ik hurkte bij hem neer, en hielp hem de koffer te sluiten. ‘Wie jou zo bezig ziet,’ zei ik, ‘verwondert zich dat je technologisch al zover bent dat je een elektrische typemachine aankunt.’