Recensie

Heksenjacht en heldenmoed

Uit bijna elke bladzijde van deze niet eerder vertaalde dagboeken, verhalen en brieven blijkt de morele en literaire grootsheid van deze Russische schrijver.

Foto’s @ Galina Arboezova/Planeta, Moskou, Fotobewerking Fotodienst NRC

Het Paustovski-gevoel is terug. En dit keer duurt het 600 bladzijden lang. Als op de golven van een verlaat jeugdsentiment waan je je ineens weer in de jaren tachtig, toen de herinneringen van de hier op dat moment nog vrij onbekende Russische schrijver Konstantin Paustovs-ki (1892-1968) in de Privé-domein reeks verschenen en een succes werden.

Met zijn verhalende stijl en exotische natuurbeschrijvingen (niemand schrijft zo mooi over mist en kalme zee als hij), sleurde hij je het Rusland van rond 1917 binnen. In die jaren was hij student, soldaat, trambestuurder, zeeman, arbeider en journalist, en leefde hij van de wind. Zijn lezers benijdden hem zijn zwerversbestaan en wilden hem het liefst nadoen.

En nu is er ineens Goudzand, een door vertaler Wim Hartog samengestelde bundel met nog niet eerder verschenen verhalen, reisverslagen, dagboeken en brieven van Paustovski’s hand. Ze dateren uit de periode vanaf zijn verblijf aan het front in de Eerste Wereldoorlog tot aan zijn dood. Samen vormen ze een vers gedolven schat, die je de woeste wereld van deze heerlijke schrijver opnieuw laat beleven.

Je leest dat al meteen in zijn dagboekaantekeningen uit 1915, wanneer hij als hospik een zwaargewonde student verzorgt. In een paar zinnen weet hij dan zo veel erbarmen uit te drukken, dat de tranen je in de ogen springen: ‘Hij overleed in mijn armen, in de verbandruimte. Hij had een mooi en lief gelaat. We hebben hem met lakens toegedekt en weggedragen.’

En als hij dan even later noteert: ‘Wij kwamen in aanraking met heel veel simpele, boerse tederheid’, besef je ook weer met hoeveel liefde hij over gewone mensen kan schrijven.

Goudzand wordt nog boeiender als in februari 1917 de revolutie uitbreekt en in heel Rusland arbeiders- en soldatenraden worden opgericht. De chaos is enorm, zoals Paustovski treffend beschrijft: ‘Op de door de zachte wind, die al aan de lente deed denken, dooiende velden werden volksvergaderingen gehouden waar vreemde woorden zoals ‘‘de internationale”, ‘‘kapitalistische ministers”, en ‘‘de klassendictatuur” te horen waren. De landweersoldaten [...] begrepen niets van wat er gezegd werd.’

Haat en demagogie

Ook ziet hij in 1917 al snel de haat en demagogie opkomen, die twintig jaar later, tijdens Stalins Grote Terreur, een bloeddorstig hoogtepunt zullen bereiken: ‘Zodra de broederschap verklaard was, werd op zoek gegaan naar vijanden. Die werden al snel gevonden. Vervolgens werden er categorieën gecreëerd: arbeiders, boeren, soldaten, kapitalisten, bourgeoisie, Voorlopige Regering, Polen, Oekraïners, Letten.’ Met zo’n beschrijving lijkt hij de kern van alle revoluties en wat daarop volgt samen te vatten.

Om aan het door hem verafschuwde geweld te ontsnappen, wil Paustovski naar het buitenland vluchten. Als eerste stap daartoe verhuist hij naar Kiev en Odessa. Hier is het rustiger en beleeft hij de romantische avonturen die hij in zijn herinneringen zo mooi zal beschrijven.

Drie jaar later, in 1920, is hij terug in Moskou en ziet hij wat de revolutie heeft opgeleverd: ‘De mensen zijn weer lijfeigenen. Zelfs minder dan dat: het is ‘‘tuig”, vee waar ieder uur de zweep over moet.’ Treffender kun je de nieuwe communistische staat niet typeren.

Als Paustovski korte tijd later in zijn dagboek opmerkt: ‘Fusilleren, oftewel ‘‘neerknallen” of ‘‘afmaken”, gebeurt hier 24 uur per dag non-stop met ieder van ons’, besef je dat hij geen enkele illusie meer heeft over een vreedzame toekomst. Het communisme is voor hem een koning zonder kleren, die zijn macht ontleent aan een ‘destructieve energie van het kwaad’, geleid door de geheime politie.

Goudzand bestaat uit drie delen, die chronologisch samenvallen met de jaren van Paustovski’s drie huwelijken. Veel brieven in Goudzand zijn dan ook aan zijn echtgenotes gericht. Wat opvalt is dat hij zich in die brieven altijd hartstochtelijk uit, totdat hij abrupt op een ander verliefd wordt. Ook leeft hij, vooral in zijn eerste twee huwelijken, bijna voortdurend gescheiden van zijn vrouw, omdat hij op reis is of in afzondering aan een boek werkt. De liefde is voor hem eerder een romantisch ideaal dan een lotsbestemming. Het schrijven staat op de eerste plaats.

Anders dan veel van zijn vakgenoten in de Sovjet-Unie toonde Paustovski als het om schrijven en schrijvers ging heldenmoed. Onder Stalin maakt hij zich in zijn brieven zorgen om de heksenjacht die op schrijvers als Pilnjak, Zosjtsjenko, Pasternak en Mandelstam is geopend. Maar hij weet dat hij die kritiek niet in het openbaar kan uiten, omdat zoiets hem het leven kan kosten. In een in Goudzand opgenomen brief uit 1941 waarschuwt hij zijn toenmalige vrouw Valeria en hun zoontje Sery daarom terecht voor verklikkers.

Landloperij

Na Stalins dood – hij is dan al een literaire beroemdheid – laat hij zijn vrees voor de machthebbers varen. Zo schroomt hij niet om Brezjnev in 1966 een brief te schrijven waarin hij protesteert tegen de officiële herwaardering van Stalin. Nog moediger is hij als hij zich tegen de bekrompen literaire opvattingen van het regime keert en het opneemt voor vervolgde schrijvers en dichters, zoals Josif Brodski, die in 1964 op grond van landloperij tot vijf jaar strafkamp wordt veroordeeld.

Fascinerend is de boze brief die hij in 1958 aan de redactie van het literaire tijdschrift Novy Mir schrijft, nadat het in botte bewoordingen De tijd van de grote verwachtingen, het mooiste deel van zijn herinneringen, heeft afgewezen, omdat het te weinig socialistisch-realistische elementen bevat. Ook verdedigt hij in die brief de verketterde en tijdens de Stalinterreur vermoorde Isaak Babel. Zo’n lef, die in de Sovjet-Unie zelden werd vertoond, laat nu Paustovski’s ware grootsheid zien, zo niet als schrijver, dan wel als mens.