‘Een giftig boek zou kleinzerig zijn geweest’

Interview Hagar Peeters

Veel lof kreeg Hagar Peeters voor haar debuutroman Malva, een tragisch verhaal over ontkende kinderen en de moral luck van genieën. ‘Ik ben een klein onderdeel van dit universele verhaal.’

Hagar Peeters: ‘Slachtoffers zijn literair vaak niet interessant, dus ik vind het literair een uitdaging om ze die stem wél te geven’ Foto Koos Breukel

Wanneer Hagar Peeters en ik elkaar treffen in het Amsterdamse Lloyd Hotel, is er verwarring. Zou NRC niet het interview uit de Belgische krant De Standaard kunnen overnemen? Eerder deze maand was ze namelijk samen met haar vader – socioloog en schrijver Herman Vuijsje – geïnterviewd voor die krant. Dat was logisch, omdat haar met de Fintro Literatuurprijs bekroonde roman Malva over ontkende kinderen gaat, en daarmee ook over Peeters eigen vader die de eerste elf jaar van haar leven deed alsof ze er niet was.

Malva is magisch-realisme met een knipoog, Hollands magisch-realisme als het ware

De kern van het boek wordt gevormd door Malva, de dochter van de Chileense dichter en Nobelprijswinnaar Pablo Neruda, die haar uit zijn bestaan wiste omdat ze een waterhoofd had. Hij omschreef haar in een brief aan een vriend als een gedrocht, een ‘puntkomma’ – het onbenulligste onder de leestekens. Malva komt uiteindelijk terecht bij een pleeggezin in Gouda, waar ze op achtjarige leeftijd sterft. Peeters vertelt vanuit het perspectief van Malva wat er gebeurd is. Het gehandicapte kind krijgt opeens een opvallende stem in de hoop uiteindelijk door haar vader gehoord te worden.

Er komen ook andere ontkende kinderen aan het woord, zoals die van Arthur Miller en James Joyce. Net als Neruda hadden deze schrijvers een gehandicapt kind dat ze liever uit hun bestaan hadden gewist. Op de achtergrond resoneert het verhaal van Peeters’ eigen jeugd. Als actief journalist in onder meer Zuid-Amerika, waar haar vader ook de begrafenis van Neruda bijwoonde, was ‘hij nog niet toe aan het vaderschap’, legde Vuijsje in De Standaard uit. „Het is echt zo mooi geworden dat gesprek, zo fijngevoelig. Mijn vader wilde dat maar één keer doen.” Dat gezegd hebbende gaan we over tot een gesprek zonder vader, maar wel over vaders.

Wat vond hij van dit boek?

„Mooi. Aanvankelijk vond hij het te bombastisch, iets te barok, maar dat wilde ik nou juist. Hij las de eindversie om te kijken of hij akkoord was met hoe hij erin voor zou komen. Dat vond ik wel zo netjes. Ik had ook zijn dagboeken gelezen uit de tijd dat hij in Chili zat en ik heb daar veel aan gehad. Dat ik dit boek kon maken over mijn vader, terwijl hij nog leeft – vond ik wel bijzonder. Maar goed, hij vond het dus te barok en deed suggesties hoe het anders kon. Maar die vond ik weer te journalistiek.”

Dat zijn vormargumenten. Wat betekende het boek persoonlijk voor hem?

„Hij was trots en de roman deed hem denken aan Gabriel García Márquez. Ik heb later begrepen dat hij er niet was voor mij vanwege het oorlogsverleden van zijn joodse familie, en dat dit verband houdt met mijn grootouders en hun zwijgen. Ik zie echt een relatie tussen dat verzwijgen van gevoelige onderwerpen in die familie en de onmogelijkheid om daar over te praten enerzijds en het ontkennen door mijn vader van mij anderzijds. Ik vind dat heel logisch. Hij heeft altijd tegenover zijn eigen ouders over me gezwegen, om het ze niet nog moeilijker te maken. Mijn grootvader had veel familie verloren. Hij kon verder met zijn leven door te verdringen, kun je zeggen. Mijn vader kon tegenover zijn vader niet opeens zeggen: ‘Hoor eens, ik heb eigenlijk nog een dochter’. Wat goed is, is dat hij eerlijk kon zeggen: ik was gewoon nog niet toe aan het krijgen van een kind.”

Dat verzwijgen vanwege het oorlogsverleden van zijn ouders snap ik niet helemaal. Dat jij er was, kan toch ook gezien worden als een geweldige aanvulling wanneer veel familieleden zijn omgebracht?

„Dat zou je ook kunnen zeggen. Ik denk dat hij zich niet emotioneel kon binden, maar dat hij de menselijke verhoudingen wilde begrijpen in zijn journalistieke stukken via het verleden van zijn familie. Dat hij nooit zou kunnen zeggen: ik heb het niet geweten. Een stem geven aan mensen die dat niet meer konden: het kan niet anders dan dat dat ermee te maken heeft. In die familie zijn ze allemaal gaan schrijven (de tante van Hagar Peeters, Marja Vuijsje, schreef Ons kamp, en haar neef Robert Vuijsje Alleen maar nette mensen, red.). De wereld laten weten wat er gebeurt, gaat nu eenmaal niet goed samen met een gezin stichten. Toen het eenmaal bekend was, was mijn grootmoeder heel blij dat ik er was.”

Heb je nog een band met haar kunnen opbouwen?

„Nee, eigenlijk niet, dat vind ik wel heel jammer. Het was een groot contrast met de warme Limburgse familie van mijn moeder. Opeens kwam ik terecht in een wat kil, intellectualistisch milieu waar nooit gesproken werd over het gegeven dat ik lang had ontbroken. Alsof het normaal was dat ik er opeens was.”

Hoe vindt je moeder het dat je vader je zo lang ontkende?

„Daar wil ik niet op ingaan. In dit boek speelt mijn vader een belangrijke rol. Ik heb het er met mijn moeder niet over gehad, ook niet na het verschijnen van het boek, dus ik wil er eigenlijk niets over zeggen. Mijn vader is de actor dus daarom heb ik hem ook beschreven. Mijn moeder is het slachtoffer van de situatie. Ik wil haar niet beschrijven omdat ze dan in een situatie terechtkomt waar ze niet om gevraagd heeft.”

In jouw roman gaat het juist om slachtoffers. Alle vergeten kinderen hebben een gebrek. Jij daarentegen hebt geen gebrek. Waarom koos je voor gehandicapte kinderen?

„Via een omweg schrijf ik over mijzelf, ik ben een klein onderdeel van dit universele verhaal. Juist omdat ik dat gebrek niet heb, heb ik het kunnen beschrijven. Dat is ook de literaire truc die ik uithaal: Malva vraagt mij zogenaamd uit het hiernamaals om haar verhaal op te schrijven. En omdat het mij wel is gelukt de band met mijn vader weer aan te halen, is dit een soort poging van Malva om te kijken of zij zo ook weer contact kan krijgen met haar vader, via dit boek dan. Ik zag de parallel in de geschiedenis van afwezige vaders die politiek links-geëngageerd waren en hun leven in dienst stelden van de stem die niet gehoord wordt, net als bij Arthur Miller bijvoorbeeld.”

Het was niet dat jij de rol van je vader op je wilde nemen door de minder bedeelden een stem te geven?

„Ik vind dat veel literatuur over daders gaat en daarom wilde ik een keer een krachtig slachtoffer aan het woord laten. Moordenaars, pedoseksuelen: ze krijgen allemaal een stem. Slachtoffers zijn literair vaak niet interessant, dus ik vind het literair een uitdaging om ze die stem wél te geven – een mooie omkering. Of neem Lolita van Nabokov. Dat vind ik prachtig, het gaat over een dader, maar ook over diens verlangen. Dat laatste wilde ik ook, schrijven over Malva’s verlangen om gezien te worden. Het is haar poging in taal om te overtuigen.”

Doordat Malva van bovenaf soms het woord tot je richt en daarnaast in de hemel gesprekken met beroemde schrijvers en filosofen voert, krijgt het boek iets magisch-realistisch. Vind je dat er in Nederlandse romans te weinig magisch-realisme is?

„Nee, ik koos er hier bewust voor, eigenlijk is het een beetje kitschy. Veel Nederlandse romans vind ik stilistisch niet boeiend. Het plezier in lange zinnen mis ik vaak. Ik zocht de speelsheid in de taal zelf, om alle associaties te onderzoeken. Lange zinnen is niet typisch Latijns-Amerikaans, dat magisch-realisme wel. Ik blijf niet op de magisch-realistische tour gaan, maar in deze roman paste het bij wat Malva me vertelt. Het is magisch-realisme met een knipoog, Hollands magisch-realisme als het ware. Die lange zinnen en die poëtische taal zijn ook omdat ze haar vader wil overtuigen. Ze wil laten zien hoe goed ze kan vertellen, laten zien hoe knap ze is. Ze doet constant haar best voor haar vader.”

Dit boek draait ook om ‘moral luck’: ‘genieën’ hebben het recht om moreel onjuist te handelen. Bestaat dat nog steeds?

„Je kan het een beetje vergelijken met die BBC-presentator die kinderen seksueel misbruikte. Niemand durfde daar wat aan te doen, omdat je niet aan iemand met een bepaalde statuur komt. Je wil in het gevlij blijven bij zo iemand. Nu kom je er niet meer mee weg. Dat is misschien het gevolg van meer democratisering.”

Of is het het einde van het moraalloze genie?

„Ik denk dat je dat los moet zien. Wat iemand doet, staat los van zijn werk. Achterberg is daar een mooi voorbeeld van. Maar het is denk ik wel zo dat je nu niet meer onaantastbaar bent.”

Of omdat je daden toch terugkeren in je werk? Je schrijft over Arthur Miller bijvoorbeeld dat zijn hele werk in het teken staat van moraal en schuld. Dat zou impliceren dat een beslissing die je neemt, zoals het wegdoen van je zoon omdat hij het downsyndroom heeft, toch terugkeert in je werk.

„Ja, dat wel. Dat heb ik ook bij Neruda gezien. Iedereen schrijft altijd dat hij geëngageerd werd in zijn werk toen hij hoorde dat zijn vriend Lorca vermoord was. Dat valt echter samen met het wegstoppen van zijn dochter, waar hij zich geen raad mee wist. Vanaf dat moment wordt hij geëngageerd, ik zie dat als een vorm van willen compenseren. Dat zie je ook bij Arthur Miller. Dat hij aan de thema’s van schuld en moraal vasthoudt, is dan een soort overcompensatie. Dat je je goedheid wilt aantonen, terwijl je je geen raad weet met intieme verbanden. Dat je persoonlijke gevoelens alleen kunt sublimeren in intellectuele ideeën.”

Kunstwerken zijn soms dus minder autonoom dan wij soms willen?

„Absoluut. Bijna altijd.”

Ook in de poëzie van Peeters komt haar vader om de hoek kijken. Het duidelijkst is dat in het gedicht ‘Godbetert die vader van mij’, dat met deze regels begint: ‘Godbetert die vader van mij was altijd haantje / de voorste waar het onrecht betrof.’ Het sluit af met: ‘maar mijn vader, ay ay compañero, zat in Chili,/ Nicaragua, op een stoomschip over de oceaan, in de petoet in Bolivia met baard, mes en hoed / de wereld te klein voor hem te vinden / en zij bracht in haar eentje een heel nieuw leven groot. // Mijn voetsporen smelten in de sneeuw. / Ze nemen de vorm aan van een onbedoeld dier / en verdwijnen opeens halverwege.’

Het gedicht ‘Godbetert die vader van mij’ lijkt bozer dan deze roman. Klopt dat?

„Ja, toen was ik nog echt boos, een stampvoetend kind. In mijn roman ben ik dat niet meer. Misschien ben ik door het schrijven van deze roman wel minder boos geworden. In een boek kan je niet echt boos zijn, dus ik heb mijn instelling aangepast aan mijn eigen boek. Als ik nu een rancuneus, giftig boek had gemaakt dan was het niet goed geworden, maar een kleinzerig boek. Goed, heel soms is Malva ook een stampvoetend kind. Dat maakt haar als dode ook wel menselijk.”

Een roman schrijven waarin je de keerzijde van het ontkende kind schetst en bovendien boven de materie staat – letterlijk door vanuit een dode te spreken – is misschien wel wraakzuchtiger dan boos zijn.

„Misschien wel, maar dan gaat het niet meer om wraak of boos zijn – dan gaat het om meer. Dan vind je de kern van wat je wilt als verstotene, namelijk dat je gezien wordt. Malva is verzwegen en nu neemt ze zelf het woord. Ze kon niets en wist niets, maar nu kan en weet ze alles. Dat is eigenlijk de ultieme genoegdoening voor wie er niet mocht zijn. Toch? Neruda is opeens een klein deel geworden van het verhaal.”

En jij doet dat door nadrukkelijk een barok boek te schrijven aan een vader die journalist was in plaats van vader?

„Dat zou ik vroeger gewild hebben, ten tijde van het gedicht. Vroeger probeerde ik met mijn vader te strijden en hem te overtreffen, maar dat heb ik nu niet meer.”