Column

Doemdenken

Lunchtijd aan de Vijzelgracht in Amsterdam. Het terras van een Italiaanse broodjeszaak staat vol dure damestassen. Kinderwagens denderen voorbij. Een zwerm hard lachende kantoormannen. Een jonge man met tatoeages leidt zijn vriendin naar de winkeldeur van patisserie Holtkamp, de etalage vol aardbeientaartjes. Uit een auto schalt: „De ultieme sportzomerrr.” De lucht is grijs.

Ik zit met een vriend en een vriendin aan een tafel in een pand aan de overkant en staar naar het tafereel dat ons niet verbaast. Dat gewoon het stadsleven is. Ons werkseizoen is bijna voorbij. We hebben alle drie onze laatste afspraken, onze laatste bespiegelingen. De pushberichten druppelen binnen. De Kamervoorzitter zegt bij de herdenking van de aanslag in Istanbul: „Het kruipt onder je huid. Alsof je nergens op de wereld echt veilig bent.” Boris Johnson stelt zich toch niet kandidaat voor het premierschap. Wat het nieuws ook is, je wordt er niet vrolijk van.

De vriend laat een filmpje zien van Donald Trump op bezoek in Alabama. Hij vliegt met zijn Trump-jet over een stadion met 30.000 Republikeinen, de overgrote meerderheid is evangelical. „Jullie weten allemaal dat een van mijn favoriete boeken mijn eigen boek is”, roept de presidentskandidaat na aankomst. „Maar er is één boek beter. Weten jullie welk dat is? De Bijbel.” Gejuich.

„Hij gaat voor een aardverschuiving zorgen”, zegt de vriend. „En hij is zo destructief.”

Amerika is onoverwinnelijk, schreeuwt Trump. Maar wij voelen deze vale middag de kwetsbaarheid onder de bluf. Het strompelen van de Europese Unie. De grote wateroverlast. Vernielzuchtige leiders op alle vlakjes van het schaakbord. De machtigen der aarde die wankelen. God heeft geblazen, denk ik, en zij zijn verstrooid.

We zien een zwerver langs de gracht lopen. Hij ontmantelt een doos waar iets bruikbaars in zou kunnen zitten. Er zit niets in.

De vriendin vertelt dat ze zichzelf pas geleden in een waanvoorstelling ook zo langs de grachten had zien zwerven. Ze zag het haarscherp voor zich, als een filmbeeld. Zij, geen baan meer, geen geld, op zoek naar voedsel op straat. Toen heeft ze een mooie jas gekocht. „Dan heb je tenminste nog een jas.”

Ik denk aan The Clash, The Smiths en Joy Division (Love will tear us apart, again), toen de doemcultuur van de Tilburgse danstent De Spoel mijn leven bepaalde. De zwarte eyeliner, het minimale dansen. Je leerde er nooit iemand kennen, zodat je altijd door kon dromen. Aan die doem kwam ook weer een einde. De Muur viel. Clinton werd president. De Spoel ging dicht.

„Het gaat niet om de verschrikkingen zelf”, zegt de vriendin, „Maar om de angst ervoor.”