Column

Detective

De Spannende Boekenweken van dit jaar zijn achter de rug, en wéér heb ik geen spannend boek gelezen. Op het eerste gezicht vreemd, want ik heb vroeger veel spannende boeken gelezen: eerst als kind (Arendsoog, Pim Pandoer, de Bob Evers-serie), later als volwassen lezer: Ross Macdonald, Chandler, Hammett, Simenon, Highsmith, Sjöwall & Wahlöö, Rendell, Leonard.

Op zeker moment besloot ik dat ik in dit genre genoeg had gelezen. Niet omdat ik erop neerkeek, zeker niet, maar omdat thrillers toch in de eerste plaats om een (liefst goede) plot draaien. Ze laten je, hoe spannend ook, met een nogal leeg gevoel achter: was dit het nou? Ik moet hier een uitzondering maken voor Patricia Highsmith die de raadselachtige, psychologische diepten van haar personages durft op te zoeken; haar ben ik dan ook het langst blijven lezen.

Toch overvalt me soms een soort heimwee naar het spannende boek. Je kon je er, zeker in je jeugd, met huid en haar aan overleveren. De meeste van die boeken heb ik weggedaan, maar van één schrijver kan ik maar geen afstand nemen – daarom noemde ik hem in bovenstaand rijtje als eerste: Ross Macdonald.

Hij is in Nederland vergeten, maar hij blijft voor mij de beste op het gebied van de pure detectiveroman – beter dan zijn beroemdere voorgangers Hammett en Chandler die hem duidelijk beïnvloed hebben. Macdonald was een voortreffelijke stilist en hij gaf zijn boeken meer psychologische diepgang dan zijn collega’s, afgezien van Highsmith. Toch bleef hij altijd een pure thrillerschrijver bij wie de plot vooropstond. Hoofdpersonage was de privédetective Lew Archer, wiens werkdomein Californië was.

Ik bezit nog de eerste goedkope Nederlandse vertalingen uit de jaren zestig, boekjes van uitgeverij Luitingh in Laren met groenwitte omslagen. Titels als Losgeld voor een list, De glazuren grijns en Jacht op een schim. Ik las ze, meen ik me te herinneren, in hete zomers waarin de tijd stilstond.

De schrijver, die van 1915 tot 1983 leefde, was lange tijd een onbekende figuur voor mij. Na zijn dood verscheen een biografie waarin bleek dat hij een moeilijk leven had geleid. Een vaderloze jeugd in Canada met talloze verhuizingen, een moeizaam huwelijk, een aan drugs verslaafde dochter die bij een ongeluk omkwam. Geen wonder dat gebroken gezinnen en freudiaanse thema’s regelmatig in zijn Archer-romans opduiken. „Freud was een van mijn grootste invloeden”, heeft hij toegegeven.

In Amerika is hij nog steeds een grote naam. Onlangs verschenen in de schitterende serie van The Library of America twee gebonden delen met een aantal van zijn beste romans. Een hele en terechte eer. Intussen vond ik in een winkeltje een oude pocket met zijn eerste werk, verhalen onder de titel The Name Is Archer.

Zo begon hij zijn allereerste verhaal, Find the Woman:

„I sat in my brand-new office with the odor of paint in my nostrils and waited for something to happen. I had been back on the Boulevard for one day. This was the beginning of the second day. Below the window, flashing in the morning sun, the traffic raced and roared with a noise like battle. It made me nervous. It made me want to move. I was all dressed up in civilian clothes wit no place to go and nobody to go with. Till Millicent Dreen came in.”

Ik vrees dat ik verder zal moeten lezen.