Recensie

De perfecte sliding, alleen weggelegd voor de allergrootsten

Ragnar Sigurdsson van IJsland met zijn sliding tegen Jamie Vardy van Engeland, in de achtste finale. Foto Eric Gaillard / Reuters

Aanschouw het wonder van de sliding. In de hiërarchie staat de sliding ver onder de opschepperige omhaal, het pesterige poorten of het zelfingenomen stiftballetje, maar laten we wel wezen: eigenlijk is er niets mooiers. Een seconde voor deze foto werd gemaakt dacht James Vardy nog dat hij recht op weg was naar het doel, een gelijkmaker, verlossing uit Engelands ijskoude nachtmerrie. Tot ineens de bal weg was. Hoe het been van Sigurdsson er in hemelsnaam in was geslaagd om bij de bal te komen zonder eerst de tegenstander te raken? Was het Sigurdssonbeen van rubber? Werd het ineens twee keer zo lang?

In werkelijkheid lijkt dat alleen maar zo, door de perfecte coördinatie en snelheid waarmee het Sigurdssonbeen aan kwam glijden. Iets meer naar voren of naar achter, naar links of naar rechts, wat sneller of trager en je hebt een zekere penalty. Maar niet bij het Sigurdssonbeen. Deze sliding is bijna net zo mooi als die van Frank de Boer in 1998, toen hij de bal voor de voeten van een verbijsterde Ronaldo weggleed in de halve finale tegen Brazilië. En wat was het eerste dat De Boer deed toen hij trainer van Ajax werd? Hij verbood de sliding. Want daar komen maar ongelukken van: dit kunnen alleen de allergrootsten.