De Grote Marten en Oopjen Kijkgids

Marten en Oopjen, de twee Rembrandts die Nederland en Frankrijk samen hebben gekocht, zijn vanaf vandaag eindelijk in het Rijksmuseum te zien. De nieuwe museumdirecteur, Taco Dibbits, geeft kijktips.

Maerten of Marten?

Lang is er verwarring geweest over de identiteit van de geportretteerden. Halverwege de negentiende eeuw werden ze aangezien voor ‘de graaf en graavin van Egmond’ – niet vreemd, gezien hun statige poses – en vervolgens werd dit bijgesteld naar ‘Maerten Daey en zijn eerste vrouw Machteld van Doorn’. Pas in 1956 werd ontdekt wie ze echt waren: Marten Soolmans en Oopjen Coppit. Het Rijksmuseum en het ministerie van OCW spraken tot voor kort van ‘Maerten en Oopjen’. „De verwarring is achteraf gezien begrijpelijk, omdat Oopjen na de dood van Marten hertrouwde met ene Maerten Daey”, zegt Rijksmuseum-directeur Taco Dibbits.

Kort lontje

Marten was de zoon van een protestantse handelaar uit Antwerpen die in 1585 voor de Spanjaarden vluchtte naar Amsterdam. Dibbits: „De vader van Marten was een man met een kort lontje. Hij moest zich meer dan tachtig keer voor de kerkenraad verantwoorden wegens vechtpartijen, huiselijk geweld en scheldpartijen. En hij liet de suikerraffinaderij die hij in Amsterdam had opgericht expres failliet gaan om zijn zakenpartner dwars te zitten. Vervolgens zette hij een nieuwe op, waarmee hij veel geld verdiende.” Oopjen kwam uit een heel ander nest: haar familie, die fortuin had gemaakt met de handel in graan en buskruit, behoorde al generaties lang tot de regenten van Amsterdam.

Liefdesrelatie of verstandshuwelijk?

Het huwelijk van Marten (toen 20) en Oopjen (22) vond plaats op 28 juni 1633. Een jaar later lieten ze hun portretten schilderen. Dibbits denkt dat ze geen gearrangeerde verbintenis sloten maar trouwden uit liefde. „Dat maak ik op uit het grote verschil in familieachtergrond”, zegt hij. „Het geluk straalt van hun gezichten. Oopjen is in verwachting, je ziet haar opbollende buik. Rembrandt moet dat jonge geluk herkend hebben, hij was zelf net getrouwd met Saskia Uylenburgh.” Marten en Oopjen kregen twee zoons en een dochter, van wie alleen de jongste zoon overleefde. Later verhuisden ze naar Naarden, waar Oopjens familie onroerend goed had. Het leek een veelbelovend en ambitieus stel, maar hun geluk was van korte duur: Marten rondde zijn rechtenstudie nooit af en maakte geen carrière. Hij stierf op 28-jarige leeftijd. Oopjen hertrouwde met een militair, eerdergenoemde kapitein Maerten Daey, met wie ze nog een zoon kreeg. Ze overleed op 78-jarige leeftijd.

Ambitie

Marten studeerde rechten in Leiden. Dibbits: „Mogelijk leerde hij Rembrandt daar kennen, want hij woonde dichtbij het atelier van de kunstenaar. Ook in Amsterdam woonden ze weer bij elkaar in de buurt.” Toen Marten en Oopjen trouwden, stond Rembrandt inmiddels aan het hoofd van de portrettenwerkplaats van Hendrick Uylenburgh. Dibbits: „Het echtpaar koos bewust voor Rembrandt, de populairste portretschilder van Amsterdam, in plaats van bijvoorbeeld Thomas de Keyzer of Nicolaes Pickenoy. Hun ambitie blijkt ook uit het feit dat ze zich ten voeten uit lieten schilderen. Zulke levensgrote portretten werden tot dan toe bijna alleen geschilderd voor de adel.” Rembrandt nam de klus zeer serieus: hij schilderde de portretten helemaal zelf, ook de achtergrond en de kleding, die hij in die tijd vaak aan medewerkers overliet.

Levensecht

Rembrandt heeft het echtpaar zo levensecht mogelijk geschilderd. Dat deed hij door het gebruik van perspectief, bijvoorbeeld in de tegelvloer, en clair-obscur, het gebruik van licht-donkercontrasten. „Kijk maar eens naar de witte kragen op de zwarte kleding”, zegt Dibbits. „Bij Rembrandt valt het licht altijd van links. Dat voert hij door tot in de kleinste details, zelfs in de plooien van de sokken.” Prachtig is ook de stofuitdrukking, vindt de museumdirecteur. „Moet je die manchetten van Oopjen eens zien.” De schilderkunst van Rembrandt viel ook op door de suggestie van beweging. Dibbits: „Oopjen daalt af van een trapje, ze steekt haar voet uit en tilt haar jurk op om niet te struikelen. En Marten geeft haar de handschoen aan, het teken dat zij getrouwd zijn.”

Mona Lisa

De Franse kunstcriticus Théophile Thoré (1807-1869), die tegenwoordig vooral faam geniet door zijn ‘herontdekking’ van Vermeer, aanbad Oopjens „beminnelijke” voetje. Hij vergeleek haar bleke, melancholieke verschijning met de Mona Lisa. Maar volgens de meeste 19de-eeuwse kunstcritici was Oopjen geen schoonheid. Hoe daar in 1634 over werd gedacht is onbekend. Wel staat vast dat ze gekleed was volgens de laatste mode. Dibbits: „Oopjen draagt een zwarte, genopte zijden zomerjapon. Haar kroezende kapsel was zeer modieus, net als de veren waaier. De zwarte sluier beschermde haar hoofd tegen de zon. Op haar linkerslaap heeft ze een mouche, een schoonheidsvlekje, om haar lichte huid beter te laten uitkomen.” Haar kanten kraag lijkt sterk op die van Amalia van Solms op een ander schilderij van Rembrandt. Dibbits: „Zij spiegelde zichzelf dus aan de vrouw van de stadhouder.” Ook Marten heeft zich opgedoft. Hij draagt onder zijn platte kanten kraag een geribd zijden pak, dat versierd is met linten en rozetten, en weelderige kousenbanden. Dibbits: „Vooral de reusachtige kanten rozen op zijn schoenen vallen op. Zo groot zie je ze op geen enkel ander schilderij uit die tijd.”

Gesigneerd

Het schilderij van Marten is onderaan gesigneerd, dat van Oopjen niet. Waarom is dat? En is het doek van de man nu meer waard dan de vrouw? „Nee”, zegt Dibbits. „Oopjen is niet gesigneerd omdat de schilderijen bij elkaar horen. Frankrijk en Nederland hebben afgesproken dat de beide delen, die samen 160 miljoen euro kostten, altijd bij elkaar zullen blijven. Ze vormen één kunstwerk, daarom is de waarde gelijk verdeeld over de twee doeken.”

Nachtwacht

De portretten hangen de komende drie maanden in dezelfde zaal als de Nachtwacht, op de muur die er links haaks op staat. Daar hing eerst een andere Rembrandt, De nachtelijke samenzwering van Claudius Civilis. „Marten en Oopjen hebben dezelfde grootte als de figuren op de Nachtwacht”, zegt Dibbits. „Zo kun je ze goed vergelijken. Marten maakt bijna dezelfde beweging als kapitein Frans Banninck Cocq.” Na de restauratie, die volgens Dibbits ongeveer een jaar zal duren, komen de portretten mogelijk op een andere plek in de Eregalerij te hangen. Ze blijven daar eerst drie maanden te zien. Vervolgens zijn ze drie maanden in het Louvre te zien. Daarna 5 jaar in Amsterdam en 5 jaar in Parijs. Vanaf dat moment zullen ze om de acht jaar van plek wisselen.

Druiperig

De schilderijen zijn vergeeld, niet alleen omdat er vroeger minder goede vernis werd gebruikt, ook omdat er bij de vorige eigenaren, de familie Rothschild, werd gerookt. De vernislaag moet dus worden ververst. De verf zelf hoeft nauwelijks bijgewerkt te worden. „Als ik de toestand van de schilderijen een cijfer moet geven, kom ik op een 9”, zegt Dibbits. Wel moet er wat worden afgeschraapt van de waslaag waarmee in 1956 steundoeken zijn bevestigd aan de achterkant. Dibbits: „De was is nogal overvloedig aangebracht. Dat ziet er nu een beetje druiperig en slordig uit.”