Smintje

Ik kreeg vandaag een mailtje waarin tot in detail stond beschreven wat ik iemand had aangedaan door hem wat mondverfrissing aan te bieden. Het betrof een vage kennis die ik alleen op feesten van vrienden tegenkom. Afgelopen weekend had ik even met hem gesproken.

Het gesprek, over mestinjecties, was soepel en informatief verlopen. Toen ik werd geroepen door mijn geliefde, nam ik een Smintje. Ik zag mijn gesprekspartner kijken en bood hem er uit beleefdheid ook een aan.

Drie dagen later: mailbom. Waarom ik hem in godsnaam een Smintje had gegeven, hij vond dat hij helemaal niet stonk. Waarom was ik erop uit om zijn avond te verpesten (ik verzin dit niet). In 5300 woorden werd in uiteenlopende hyperbolen uiteengezet waarom hij groot gelijk had en ik tot excuses verplicht was. Ik voelde me ergens in geluisd. Door het aanbieden een Smintje. Ik was blij dat ik niets had gezegd over zijn afslankende haardos waarin zich een overleden vliegje bevond.

Na wat rondvragen bij wederzijdse vrienden bleek dat deze man wel vaker opeens heel boos kon worden om iets kleins.

„Ik snap het niet”, zei ik tegen mijn zus, bij wie ik altijd even op schoot mag als ik me onheus bejegend voel. „Hij maakt van een mug een F-16. Alsof ik tjokvol kwade trouw zit.

„Ach”, zei ze, terwijl ze over mijn rug aaide „Ik ben in mijn praktijk zoveel van dat soort mensen tegengekomen. Vaak hebben hun ouders allerlei frustraties op hen afgereageerd. Die kinderen groeien op met het gevoel dat ze slechte mensen zijn. Dat wat ze ook doen, het verkeerd is. Dat iedereen erop uit is om hen te straffen. Dus daarom zijn ze zo lichtgeraakt.”

Ze kijkt me even aan: „Althans, dat is wat je wilt horen. Maar het is eigenlijk heel verdrietig voor deze man dat hij zich zo snel aangevallen voelt. En: dat hij gevoelig is, wil niet zeggen dat alles wat hij zegt, nergens op slaat.”

Ik knikte schoorvoetend. Sommige mensen die nogal fanatiek voor zichzelf opkomen, doen dat ook voor anderen. Zij nemen tenminste de moeite om je te confronteren met iets. Zij zijn tenminste niet onverschillig. De man in kwestie is, zo vertelde mijn zus mij vervolgens, er een keer tussen gesprongen toen een groep pubers een dik en klein leeftijdsgenootje in elkaar aan het slaan was.

’s Avonds lees ik de mail nog een keer over. Het zijn de ouders, denk ik de hele tijd, de ouders, niet mijn Smintje. Zijn boosheid kan ook anderen helpen. En dan denk ik: klaarblijkelijk wordt de wereld soms een betere plek door slechte ouders.