Niet elke burger is zelfredzaam

Foto ANP / Roos Koole

Het hameren door hulpverleners en wijkteams op de zelfredzaamheid van burgers is pijnlijk voor hen die de hulp écht nodig hebben. Die hulpbehoevenden krijgen daardoor het gevoel tekort te schieten.

Dat concludeert een team van sociale wetenschappers verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek (UvH) en de Universiteit van Amsterdam (UvA). Zij onderzoeken de gevolgen van de decentralisatie van zorgtaken naar gemeenten vier jaar lang – tot 2018 – in een zestal gemeenten, waaronder Rotterdam, Leeuwarden en Sittard-Geleen. Zo woonden zij zo’n 250 gesprekken met bewoners bij, van ‘keukentafelgesprekken’ tot afspraken met lokale wijkteams. Woensdagmiddag presenteerden zij hun voorlopige bevindingen. „Het geloof in de eigen kracht van burgers is sterk”, aldus een van de onderzoekers, socioloog en universitair docent aan de UvH Thomas Kampen.

Helpen wijkteams überhaupt nog mensen, of wijzen zij hen louter op de eigen verantwoordelijkheid?
„Het opvallende is: dat sterke geloof in zelfredzaamheid is gemeengoed bij wijkteams, maar dat vertaalt zich lang niet altijd naar de praktijk. Wijkteammedewerkers - maatschappelijk werkers, schuldhulpverleners, zorgverleners – betonen juist met grote regelmaat zorgzaamheid. Maar wat nog opvallender is: als wij als onderzoekers die professionals daar vervolgens over bevragen, dan leggen zij dat zorgverlenen alsnog uit als het bevorderen van zelfredzaamheid. Alsof ze geen woorden meer hebben voor die zorgzaamheid. Zo dominant is kennelijk dat ideaal geworden van de zelfredzame burger. Dat is die hulpverleners niet te verwijten. Het zegt vooral iets over beleidsmakers en politici, die die zelfredzaamheid tot een mantra hebben gemaakt.”

Kunt u een voorbeeld geven?
„Een wijkteammedewerker komt langs bij een bewoner, en concludeert dat een hulpinstantie moet worden benaderd. Wat gebeurt er? Die medewerker pakt zelf de telefoon en belt die instantie namens de bewoner op. Die neemt dat werk dus over. Desgevraagd zegt die medewerker dan: ja, zo zet ik zaken in gang zodat die bewoners straks zeldredzaam wordt. Nog een voorbeeld. Iemand uit een wijkteam helpt een bewoner bij het op orde krijgen van de administratie. Dan is de bedoeling uiteraard dat iemand zelf leert om die administratie bij te houden. In werkelijkheid – ik was er zelf bij – doet zo’n medewerker zelf die administratie. De bewoner zit er naast en doet niets. Dat is geen bevordering van zelfredzaamheid, dat is gewoon helpen.”

Wethouders verdedigen hun beleid vaak door te zeggen: ‘wij kijken liever naar wat mensen wél kunnen dan naar waar wat ze níet kunnen!’
„Ja, dat optimisme is gaan domineren. ‘Iedereen heeft een talent’, zeggen lokale bestuurders ook, en: ‘De mens staat centraal, niet het probleem.’ Het punt is: door de nadruk op het positieve verhaal raken de problemen en negatieve emoties van bewoners onderbelicht. Dat zie je letterlijk gebeuren in die keukentafelgesprekken, als een consulent namens de gemeente de hulpvraag van een bewoner in kaart brengt. Voorbeeld: consulent bezoekt bejaarde moeder in het bijzijn van haar kinderen, die fulltime werken en alsnog mantelzorg verlenen. Ik wil mijn kinderen niet tot last zijn, zegt de moeder tegen die consulent. De kinderen zeggen prompt: mam, wij ervaren die mantelzorg niet als een last. Wat doet de consulent: die geeft de kinderen een compliment voor hun betrokkenheid. De beleving van de moeder sneeuwt onder.”

Doen keukentafelconsulenten en wijkteams vaak een beroep op het netwerk van hulpbehoevenden?
„Zij proberen dat netwerk in te schakelen ja. Maar veel kwetsbare burgers hebben geen groot netwerk. Men woont in een buurt of gebouw met andere kwetsbare mensen. Familie woont ver weg. En een beroep op vrienden doen mensen niet graag: dan komt de gelijkwaardigheid van het contact onder druk te staan. Is er geen netwerk, dan zet zo’n consulent of wijkteammedewerker heus niet koppig door. Maar het feit alleen dat een bewoner op die eigen verantwoordelijkheid wordt gewezen, zorgt voor een pijnlijke situatie. Bedenk wel: mensen moeten vaak een drempel over voordat zij überhaupt de gemeente om hulp vragen. Ze hebben bijvoorbeeld al een mantelzorger, en dan nog blijven er taken in het huishouden liggen. Met regelmaat benadert men de gemeente met enige schaamte. En dan komt iemand namens de gemeente langs, en die vraagt vervolgens aan de burger en die overbelaste mantelzorger wat zij zelf kunnen. Dat is pijnlijk omdat zo’n bewoner dan denkt: ik voldoe niet aan de verwachtingen.”

Hoe kan het beter?
„Ik denk dat het beroep op zelfredzaamheid voor een grote groep mensen best reëel is. Maar er zijn ook mensen voor wie dat niet opgaat. Zij verdienen betere begeleiding. De cliëntondersteuning moet beter geregeld. Zodat bij zo’n keukentafelgesprek niet alleen die ene mantelzorger aanschuift die in dat huis al overuren draait. De cliëntondersteuner kan voorafgaand aan zo’n gesprek de bewoner helpen: zijn er mensen om u heen die u nu niet helpen maar dat wel zouden kunnen doen? En die ondersteuner kan burgers ook helpen met het formuleren van hun hulpvraag. Nu dreigt er een verschil in hulp tussen mondige en niet-mondige burgers: er zijn burgers die precies weten wat ze moeten zeggen tegen zo’n wijkteammedewerker. Mijn zorg gaat uit naar mensen die zich juist onbeholpen uitlaten, of die zich uit schaamte of gewoonte zelfredzamer voordoen dan ze zijn. Een cliëntondersteuner kan helpen om daar doorheen te kijken.”

    • Ingmar Vriesema