Opinie

    • Joyce Roodnat

Mens, durf te dansen

Over vuisten. Bud Spencer. Jakop Ahlbom. Yasujiro Ozu. Connie Janssen. Emma Cline.

Bud Spencer in Lo chiamavano Trinità/ They Call Me Trinity(1970)

In geen jaren dacht ik aan hem. En nu was hij ineens dood. Bud Spencer. Held van de spaghetti-western, waarmee de Italianen in de jaren 70 de Amerikaanse western een schop in het kruis verkochten. Hollywood had met de western voor de VS een glorieus verleden gefingeerd. Rome wuifde dat weg met opspattend surrealisme. Het leidde tot geweldige films, figuurlijk en letterlijk: geweld-ig. En Bud Spencer (Italiaan, alleen die artiestennaam was Amerikaans) beukte mee. Dat geweld was ultragrof, maar zelfs de hartgrondigste hippie lag in een deuk. Ik kijk zijn gevechten terug en schiet in de lach, als vanouds.

Dit is film. Dit is timing. Dit is dans: er beweegt geen borsthaar zonder reden. Dit is wat choreografie vermag. Dit is waar de Zweedse Nederlander Jakop Ahlbom op had kunnen vertrouwen voor zijn voorstelling Swan Lake, een variatie op het oerklassieke ballet Het zwanenmeer. Ahlbom is een illusionist, hij wil zijn publiek laten geloven in het onmogelijke. Nou is klassiek ballet, met die spitzen en die sprongen, op zichzelf al een soort illusionisme. Gevonden vreten voor Ahlbom, maar helaas. Hij begint er even aan en laat daarna zien dat hij ook wel weet dat ballet niet cool is.

Maar dat is het wél. Zie Bud Spencer in actie. Zie, lijnrecht daartegenover, Courage van de dansgroep van Conny Janssen, in een oude Rotterdamse gashouder. Onder een enorme bol, een soort maan van Damocles, sprenkelt ze haar dansers in de rondte. Greep op de ruimte krijgen ze niet en ik niet op het stuk. Maar ik concentreer me op de dansers die bij me in de buurt komen en geniet toch. Ineens herken ik bij een van hen het ijle gebaar waarmee Japanse vrouwen op zo’n zitmat omschuiven, met hun handen op hun knieën.

Dat viel me ook op in de twee klassieke films van Yasujiro Ozu, die Eye vertoont. Moderne naoorlogse vrouwen zien we, maar ze bewegen zich of hun lichaam niet bestaat.

Ozu’s beide films, zowel Late Spring (1949) als Early Summer (1951), vertellen over een jonge vrouw op weg naar een gearrangeerd huwelijk. Stilletjes benadrukt Ozu de daardoor onherstelbaar verwrongen verhoudingen tussen mannen en vrouwen. „Ik vond je moeder vaak huilend in de keuken” herinnert een vader zich. Wat niet betekent dat hij op het idee komt om zijn dochter dat lot te besparen. En zij zit daar maar, op die mat. Alsof ze niks mag wegen – zo filmde Ozu haar.

En zo voelt het ook voor de hoofdpersoon van de roman De meisjes waarmee de jonge Amerikaanse schrijfster Emma Cline dezer dagen furore maakt. Het gaat over een meisje dat van haar moeder leerde dat je pijn over routineuze lompheid hoort te verbijten „met beschaafd gedrag".

Doet ze niet. Ze breekt los uit de eenzame opsluiting in fatsoen en onverschilligheid van haar ouderlijk huis, en sluit zich vervolgens vrijwillig op in een vervuilde commune. Cline modelleerde die naar de sekte rond de historische manipulator Charles Manson. Dat is sappig, maar dat haar boek zo relevant is, komt doordat ze ontrafelt hoe makkelijk een 14-jarig zieltje verloren kan gaan. Weerloos is ze tegen vuile aandacht, een makkelijke prooi voor de duivel. Zij wil dansen, en daarom wil ze niet weten dat ze aangerand wordt.

    • Joyce Roodnat