Exit erbij zetten vanuit een nobele Europese gedachte

Illustratie Olivia Ettema

eeft het woord exit meerdere betekenissen? En sinds wanneer hangen in openbare ruimtes bordjes met exit in plaats van uitgang?

Soms is mij niet helemaal duidelijk waar bepaalde taalvragen opeens vandaan komen, maar ditmaal kon daar geen twijfel over bestaan.

De Grote Van Dale kent exit als bijwoord en als zelfstandig naamwoord. Exit als bijwoord is van oorsprong een theaterterm, ontleend aan het Latijn. Het is een regieaanwijzing voor een acteur of actrice dat hij of zij ‘af’ moet gaan, van het toneel moet verdwijnen.

Deze theaterterm heeft een bredere toepassing gekregen, aldus Van Dale. Exit wordt ook gebruikt ‘ter aanduiding dat de of het genoemde weg is, afgedaan heeft’. Als voorbeelden geeft het woordenboek: exit Jan, exit taliban en exit poldermodel.

Exit als zelfstandig naamwoord is ontleend aan het Engels en heeft, zoals bekend, als betekenissen: uitgang, uittreding of vertrek. De Grote Van Dale vermeldt als voorbeeldzinnen: de exit uit de politiek, de exit uit een munt­unie.

Tegen exit als theaterterm is bij mijn weten nooit bezwaar gemaakt: het theater is een klein wereldje met een eigen cultuur en woordenschat. Tegen exit als Engels leenwoord is wel degelijk bezwaar aangetekend, net als tegen zo’n beetje alle Engelse leenwoorden. Er zijn altijd Nederlanders geweest die hebben geprobeerd om het Nederlands van vreemde smetten vrij te houden (‘Eigen woorden eerst!’) en die zijn er nog steeds.

Zo stelde de ‘Stichting Natuurlijk Nederlands’ in 2009 in een publicatie getiteld Anglowaan voor om exit te vervangen door ‘uitgang’ of ‘uit’, exitgesprek door ‘ontslaggesprek’ of ‘uitstroomgesprek’ en exitpoll door ‘stembuspeiling’.

Je kunt je inderdaad afvragen waarom er in zoveel openbare ruimtes bordjes hangen met EXIT in plaats van UITGANG, maar het antwoord ligt voor de hand: bij noodgevallen is het fijn als ook buitenlanders weten waar de uitgang is.

Vanuit een nobele Europese gedachte ging de NS er eind jaren vijftig zelfs toe over om op grote stations viertalige bordjes op te hangen. Dat viel niet bij iedereen in goede aarde. „Geen verbetering”, stelde een briefschrijver in 1960 in het tijdschrift Onze Taal, „was de invoering van viertaligheid bij de borden Uitgang/Ausgang/Exit/Sortie op enkele grote stations. Als de talloze toeristen niet allemaal Uitgang begrijpen, dan is toevoeging van Exit voldoende. Wie reist moet althans enkele woorden Engels kennen. We kunnen het niet iedereen naar de zin maken.”

De eerste Nederlandse EXIT-bordjes dateren, voor zover ik heb kunnen nagaan, van het begin van de 20ste eeuw. Dat ze niet meteen voor iedereen te begrijpen waren, blijkt uit een mopje dat ik aantrof in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant van 1914. Het is een flauwe mop, maar taalkundig gezien is het een interessante bron. Twee boerenzoons gaan voor het eerst naar een circus en nemen een kijkje in de stal. Wat een gekke namen hebben die beesten, zegt Janus. Kijk, daar heb je er nog een, zegt Japik, terwijl hij naar het bordje Exit wijst. „Wat zol dat d’r veur eene wezen?”

De afloop laat zich raden, wat voor meer exits geldt.

    • Ewoud Sanders