De schrijver als anti-kraak

Schrijvershuis sluit In gevangenisdorp Veenhuizen konden schrijvers terecht om er geconcentreerd, in afzondering

te werken. Een enkeling ging er binnen een dag weer vandoor.

Een op de vijf schrijvers is een viespeuk. Dat kwam tenminste in me op terwijl ik bezig was de sporen van mijn collega uit de toiletpot te verwijderen. Vanuit de keuken klonken schraapgeluiden, daar probeerde mijn man Jaap de Ruig het gasstel van aankoeksels te ontdoen. We stoppen met dit schrijvershuis, dacht ik ook. Iemand zoals ik, die zelf auteur is, moet zich niet in deze positie brengen, dit is vernederend. Toen ik me oprichtte om dat in de keuken te gaan mededelen, ging de bel. Er stond een bezorger voor de deur met een pakje. We hadden niets besteld, verwonderd maakte ik het open. Er kwam een schaaltje tevoorschijn, een curiositeit, met een briefje van een onbekende mevrouw. ‘Op Facebook heb ik gezien dat jullie een schrijvershuis beheren. Graag wil ik dit aanbieden, misschien past het bij de woning.’

Goed, we gingen door! Het begon allemaal in 2011, toen ik het plan opvatte tijdelijk terug te keren naar het dorp waar ik opgroeide, en waar mijn ouders nog steeds wonen. Ik wilde er materiaal verzamelen voor een boek. Sinds 1823 is Veenhuizen een wonderlijke enclave in Drenthe, waar vanaf 1859 ‘Den Haag’ het voor het zeggen heeft.

Toen ik er mijn jeugd doorbracht, werd het dorp omgeven door bordjes ‘Verboden toegang’. Je mocht er alleen wonen als je voor Justitie werkte. Een huis kopen was er onmogelijk, vrijwel alle gebouwen waren eigendom van de Rijksgebouwendienst. Daar is later verandering in gekomen, maar nog steeds bezit het Rijk er een groot aantal panden, waarvan sommige leegstaan. En zo kon ik in 2011 in de voormalige pastorie terecht, een wit landhuis, van binnen verwaarloosd. Formeel werd ik anti-kraker, ik ondertekende een ‘vastgoedbeschermingsovereenkomst’. Als bijdrage in de stookkosten betaalde ik maandelijks 150 euro.

In mei 2012 was ik klaar met het verzamelen van materiaal, voor niet één maar zelfs twee boeken, Koloniekak en Hollands Siberië. Jaap en ik konden terugverhuizen naar onze woonplaats Amsterdam. We vroegen ons af wat we met de spullen moesten waarmee we de pastorie hadden ingericht, allemaal gekregen of gevonden. Zou het geen idee zijn als er nu ook andere schrijvers terechtkonden? Het is stil in Veenhuizen, je kunt er ingetogen nadenken. Niet alleen zou dat goed voor de literatuur kunnen zijn, maar ook voor het afgelegen dorp dat wel wat aandacht van opiniemakers kon gebruiken.

De Rijksgebouwendienst ging akkoord. Tot er een definitieve bestemming was, mochten we auteurs de kans geven tijdelijk in het huis te verblijven. Maar hoe organiseer je zoiets? Er bestond al een schrijvershuis, het Roland Holsthuis in Bergen, dat wordt beheerd door het Nederlands Letterenfonds, maar daar was ik zelf nooit geweest. Wel maakte ik een afspraak bij het Letterenfonds voor advies. ‘Huisregels opstellen’, was de belangrijkste tip. ‘Die samen met een contract aan de auteurs toesturen.’

Het schrijvershuis in Veenhuizen bestaat nu vier jaar. Belangrijkste selectiecriterium: iemand moet aan een tekstproject werken, het liefst professioneel. Eén kalendermaand is de norm, twee maanden kan ook. De huur is 300 euro per maand voor het hele pand, waarvan niet alleen de bijdrage in de stookkosten wordt betaald, maar ook de internetverbinding, beddengoed, lampen, onze reiskosten vanuit Amsterdam en noem maar op. Onze uren stellen we gratis ter beschikking. Desondanks is het bedrag voor sommigen moeilijk op te brengen. Eenmaal verscheen er een schrijfster met een handvol geleende bankbiljetten.

In ruil voor een gratis maal, droeg ze gedichten voor

Een van de eerste bewoners was een Telegraaf-journalist die aan een roman werkte. Hij kwam in de winter, het vroor, en uitgerekend toen ging de verwarming stuk. Mijn ouders probeerden hem te redden met een omgekeerde bloempot op een campinggasje, een beproefde methode van oudere kampeerders, maar dat hielp toch niet echt in een huis met elf kamers. Uiteindelijk ging de hoofdverantwoordelijke van de Rijksgebouwendienst er in zijn vrije tijd op af, en zo kwam het in orde. Achteraf bleek dezelfde journalist zijn slaapkamerdeur gebarricadeerd te hebben, de nachten vond hij riskant in zo’n dorp. Een andere tijdelijke bewoner was journalist voor het Nederlands Dagblad, op zondag bezocht hij de protestantse kerk. Na afloop sprak de dominee hem aan, mededogen in zijn stem. ‘Mag je met Kerst naar huis?’ Het was deze journalist nog niet eerder overkomen dat hij werd aangezien voor een gedetineerde.

Bekijk ook onze fotoserie: Deze schrijversidylle gaat dicht

Iedere auteur bleek een eigen werkwijze te hebben. Eén persoon maakte haar laptop internet-onklaar en had een mobieltje bij zich waarvan bijna niemand het nummer kende. Een andere bewoonster raapte dagelijks blikjes in de bossen, en tweemaal per week mocht ze van zichzelf naar een brouwerij met speciaalbieren, waar ze een keer gedichten voordroeg in ruil voor een maaltijd.

Sommige huurders kwamen driemaal, terwijl een ander de eerste dag al verdween, het bed bleef onbeslapen. Uitleg ontbrak, de sleutel werd per post geretourneerd. De meest bijzondere bewoner was degene die in het gastenboek schreef dat hij een aantal jaren eerder het dorp op een heel andere manier was binnengekomen, namelijk in een wit busje met het logo van justitie. ‘En nu ben ik terug, om in het schrijvershuis mijn ervaringen van het eerste jaar in vrijheid vast te leggen.’

En tja, de hygiëne. Het bleek nodig te zijn de huisregels uit te breiden naar twee A4’tjes. Ook schakelden we iemand in die voor vijftig euro extra de boel kon schoonmaken, met als nadeel dat sommigen nog onverschilliger werden. Eén auteur zette brandende wierookstokjes op de trap, en natuurlijk vielen die om op de bekleding. Telkens maakte het gastenboek alles goed, evenals de cadeautjes die we aantroffen, zoals een magnetron, een poëziekalender en een schaakbord, want een op de vijf schrijvers is ook een goeierik. Beide types kunnen zelfs in één persoon zitten.

Langzamerhand verschijnen er nu boeken die deels in Veenhuizen zijn ontstaan. Op de dag dat zowel Bas van Puttens biografie van Peter Schat als H.M. van den Brinks roman Dijk in een boekenbijlage vier sterren kreeg, was ik toch wel een beetje ontroerd, terwijl deze ex-bewoners natuurlijk ook gewoon mijn concurrenten zijn. Rob Schouten droeg voor RTV Drenthe een gedicht voor naar aanleiding van de stichtelijke opschriften die je overal in Veenhuizen ziet. Roos Custers schreef een reisverhaal over Oekraïne, Annie van Gansewinkel kreeg inspiratie voor een jeugdboek, Geert van der Kolk voltooide zijn Afrikaanse roman, Marcel Möring, Elke Geurts en Cornelia Golna schoten ook op met een roman, Jos Spijkers schreef scenario’s voor toneelstukken en Angelie Sens deed veldwerk voor haar biografie van Johannes van den Bosch, oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid.

Zelf heb ik tijdens lezingen in het huis scènes uit mijn roman Hollands Siberië voorgelezen op de plek waar ze zich afspelen. Per 1 juli 2016 is dat allemaal afgelopen zijn, want de Rijksgebouwendienst, inmiddels Rijksvastgoedbedrijf geheten, heeft nu toch andere plannen. Over een concrete bestemming is nog niets bekend, maar tot het zover is, heeft men liever geen schrijvers meer in de woning, maar ‘echte’ anti-krakers, die je er wat makkelijker uit kunt zetten.

Wij begrijpen het niet, maar dat doet er ook niet zo toe, de eigenaar beslist. Het waren mooie jaren.