Wat deden ‘onze’ F-16’s tegen IS?

NL’se F-16’s in Jordanië Nu de missie tegen IS erop zit, doorbreekt Defensie het zwijgen. Weinig bommen op Syrië? „Het was gewoon minder nodig.”

Sedeyn Ritchie / BE Defence / DG Com

De Nederlandse missie tegen Islamitische Staat (IS) is afgelopen. Tenminste, de bombardementen in Syrië en Irak zijn gestaakt en de F-16’s, hun bemanning en ondersteuning komen deze donderdag thuis.

De F-16-missie was met veel mysterie omgeven. Behalve het aantal bombardementen (ruim 1.800 in totaal) is amper iets bekendgemaakt over het succes – of falen – van de Nederlandse bijdrage. Zelden meldde Defensie details over uitgeschakelde doelen of strijders. Zelfs over de locatie waar de troepen gestationeerd waren, wordt geheimzinnig gedaan, op verzoek van „het gastland in het Midden-Oosten”. Heel sporadisch mogen er journalisten komen kijken.

Lees ook: Toekomst Nederlands-Belgische samenwerking hangt af van JSF, een dubbelinterview met de Nederlandse en Belgische luchtmachtcommandanten.

Veel meer dan een landingsbaan in de woestijn is het niet, de luchtmachtbasis Al-Azraq, honderd kilometer ten oosten van de Jordaanse hoofdstad Amman. Er staan bunkers, hangars, tenten, containers en een geïmproviseerd beachvolleybalveld tussen onverklaarbare hopen puin, allemaal overdekt met een laag van stof en donker zand. De afgelopen twintig maanden was dit de plek waarvandaan Nederlandse jachtvliegtuigen opstegen om IS-doelen te bombarderen; eerst alleen in Irak en sinds begin dit jaar ook – mondjesmaat – in Syrië.

Stilte ook frustrerend

Dinsdagochtend komen twee Hollandse straaljagers terug van hun laatste vlucht. Terwijl de zichtbaar vermoeide en verhitte piloten zich uit hun cockpit wurmen, werpen onderhoudsmonteurs zich op de toestellen als pitstoptechnici op een Formule 1-auto.

Een van de F-16’s wierp vanochtend een bom af in de buurt van de Iraakse stad Mosul, ter ondersteuning van lokale grondtroepen. Zoveel wil de commandant van de Nederlandse club ter plekke wel vertellen. Maar daar blijft het bij voor deze nog actieve piloot met een kale kop en een wit snorretje. De zogenoemde bulletproof mustache blijkt erg populair onder de militairen hier. De baas wil geen details over de missie vertellen en onder geen beding met zijn voor- of achternaam in de krant, net zomin als alle andere militairen die hier werken.

Straaljagerpiloten hebben altijd een bijzondere positie gehad: ze zitten in de uitzonderlijke positie dat zij rechtstreeks tegenstanders doden en worden daarom buiten de publiciteit gehouden. Maar ook bij het technisch en ondersteunend personeel zit de angst voor vergelding van IS, of individuen die zich daartoe aangetrokken voelen, zo hoog dat de pers wordt gemeden.

Er is gedurende de hele missie bijzonder weinig verteld over de impact van de Nederlandse bombardementen. Militairen hier hebben daar begrip voor, maar het is ook weleens frustrerend dat niemand in Nederland weet wat zij precies doen.

Door de terughoudendheid van Defensie krijgen negatieve aspecten thuis meer aandacht. Op het nieuws dat de landen die bombarderen onvoldoende transparant zijn en geen zicht hebben op de nevenschade, kwam geen concretere respons van Defensie dan dat ze twee incidenten onderzoekt. Ter plekke zeggen militairen er vertrouwen in te hebben dat ze door hun eigen videobeelden en die van Amerikaanse drones bijna precies weten wie en wat ze raken met hun precisiebommen. Maar die beelden kunnen ze niet laten zien.

‘Ontbreken apparatuur non-issue’

Toen Tweede Kamerleden vorige maand de missie bezochten kwamen zij terug met het verhaal dat er nauwelijks boven Syrië gebombardeerd werd vanwege het ontbreken van satellietcommunicatie in de Nederlandse F-16’s. Kamerleden waren verontwaardigd dat ze dit niet van tevoren hadden geweten, terwijl de beslissing om het militaire mandaat uit te breiden tot Syrië bijzonder gevoelig lag in Den Haag. Defensie kon zich daar niet met een gedetailleerde uitleg tegen verdedigen. In het Nederlandse kamp wordt lacherig gesproken over „het S-woord”.

Liggendbeeldluchtmacht

Dennis Luyt, de nieuwe commandant van de luchtmacht, is voor de wisseling van de wacht op bliksembezoek in Jordanië. Hij vindt de satellietkwestie „opgeblazen en uit z’n verband gerukt”. Ja, het klopt dat de inzet boven Syrië nog geen fractie is geweest van die boven Irak, maar dat kwam niet door die apparatuur, zegt hij. „Onze belangrijkste taak is het ondersteunen van de Iraakse grondtroepen en de Koerdische peshmerga. Die zijn vooral gericht op het bevrijden van de stad Falluja en hopelijk binnenkort Mosul. Boven de uithoeken van Syrië was onze bijdrage minder nodig. Het heeft ons niet beperkt hier.”

Maar waarom wisten politici niet dat die apparatuur ontbrak? „De Kamer is daar jaren geleden over geïnformeerd. Het was voor ons zo’n non-issue dat we het in de procedure voor deze missie niet nog een keer benoemd hebben. Kamerleden hebben hun eigen agenda, maar ik begrijp de ophef niet.”

Luyt erkent wel dat de informatievoorziening uit Jordanië wel heel beperkt is geweest. „Zolang onze vliegers deelnemen, is dat logisch. Maar nu de missie klaar is, zou ik wel iets meer willen vertellen: om duidelijk te maken wat onze effecten op de grond zijn. Het aantal bommen is wat dat betreft minder relevant dan hoe wij de Irakezen en peshmerga echt hebben geholpen gebied terug te winnen. Ik hoop er wat opener over te zijn, maar ik ga er niet over.”

Niet alles kan tegelijk

IS is sinds het internationale offensief teruggedrongen, maar de missie wordt niet gestaakt omdat de tegenstander is verslagen. De Nederlanders trekken zich terug omdat zowel het personeel als de toestellen aan groot onderhoud toe zijn. De militairen vliegen hier maar twee typen missies: het ondersteunen van grondtroepen en vooraf aangewezen doelen bombarderen. Maar ze moeten veel breder getraind zijn, bijvoorbeeld in luchtgevechten. Luyt: „We zijn in onze missies in Afghanistan en Irak gewend om het luchtoverwicht te hebben, zonder echte bedreiging van de grond. Maar het is niet ondenkbaar dat we dat ooit weer moeten bevechten, als je ziet wat Rusland aan onze oostgrens aan wapens vooruit heeft geschoven. Daar moeten we als NAVO een antwoord op hebben.” De realiteit is dat de luchtmacht, die tegelijkertijd moet leren vliegen in de JSF, niet alle taken tegelijk aankan.

    • Emilie van Outeren