Klimaatbeloftes leveren onvoldoende op

Op de klimaattop in Parijs in december vorig jaar hebben landen beloftes gedaan om klimaatverandering te voorkomen. Maar lang niet genoeg.

De aarde zal aan het eind van de eeuw mogelijk drie graden warmer zijn dan voor de industriële revolutie, zelfs als landen alle beloftes nakomen die op de klimaattop in Parijs eind vorig jaar zijn gedaan.

Volgens een uitgebreide inventarisatie, die deze woensdag is verschenen in het wetenschappelijk tijdschrift Nature, leidt uitvoering van die beloftes tot een temperatuurstijging van 2,6 tot 3,1 graden Celsius.

Volgens het Parijse klimaatakkoord moet de temperatuurstijging aan het eind van de eeuw duidelijk onder de twee graden (‘well below’) blijven – hoeveel precies is niet vastgelegd.

Meer extreem weer

Wetenschappers waarschuwen voor de gevolgen als dat niet gebeurt – zoals meer extreem weer (wat we de afgelopen weken bijvoorbeeld in Europa hebben gezien), zeespiegelstijging, overstromingen, lange periodes van droogte, meer hittegolven, en op termijn een lagere voedselopbrengst.

In Parijs drongen kleine eilandstaatjes, die door de stijgende zeespiegel in hun voortbestaan worden bedreigd, erop aan om de temperatuurstijging zelfs tot maximaal anderhalve graad te beperken. Hun wens is weliswaar als een streven in het akkoord opgenomen, maar de onderzoekers waarschuwen dat de kans dat dit lukt al vrijwel verkeken is.

Al in 2030 te veel koolstof

Volgens het onderzoek kan het ‘koolstofbudget’, dat is de hoeveelheid broeikasgas die deze eeuw nog mag worden uitgestoten, al rond 2030 zijn opgebruikt. Vanaf dat moment zou dus alle kooldioxide die de atmosfeer wordt ingepompt (ondergronds) moeten worden opgeslagen of op een andere manier worden gecompenseerd.

In Parijs hebben bijna alle deelnemende landen een zogeheten ‘nationaal bepaalde bijdrage’ (NDC) ingeleverd, een verzameling maatregelen die niet van bovenaf zijn opgelegd maar door de landen zelf haalbaar worden geacht. In het klimaatakkoord is vastgelegd dat deze NDC’s regelmatig worden beoordeeld en zo nodig aangescherpt.

Een van de problemen voor de onderzoekers was dat de NDCs vol staan met onduidelijkheden. Ontwikkelingslanden stellen hun bijdrage bijvoorbeeld vaak afhankelijk van financiële steun en overdacht van technologie. Ook zijn er landen die maatregelen in hun NDC hebben opgenomen zonder harde cijfers, zoals de belofte om een deel van de energie uit duurzame bronnen te halen.

Daar komt bij dat internationale lucht- en scheepvaart in geen van de plannen zijn opgenomen. Ook hebben veel landen (waaronder China) alleen voorstellen ingediend voor de reductie van kooldioxide en niet van bijvoorbeeld methaan, met een veel agressievere broeikaswerking.

Daarnaast valt nog te bezien of iedereen zijn doelstellingen haalt. In het verleden is maar al te vaak gebleken dat maatregelen vertraging oplopen, of dat landen slecht samenwerken om hun doelen te bereiken.

1,5 graden al in uiterlijk 2045

Rekening houdend met zoveel mogelijk onzekerheden, verwachten de onderzoekers dat een temperatuurstijging met anderhalve graad met de huidige beloftes ergens tussen 2030 en 2045 wordt overschreden en de twee graden tussen 2045 en 2075.

Wat betekent dat voor de periode na 2030? Zouden ontwikkelingslanden met vaak een energie-intensieve economie, slechte infrastructuur, zwakke instituties en weinig geld hun fossiele brandstoffen kunnen vervangen door duurzame energie in een tempo dat tot nu toe alleen werd gehaald door hoogontwikkelde economieën als Zweden, Denemarken en Frankrijk? Kan de opslag van kooldioxide in daarvoor geschikte geologische aardlagen, een omstreden en dure technologie, met een factor tien tot wel honderd toenemen? Kan er zoveel meer energie worden opgewekt uit biomassa, zonder dat dit ten koste gaat van voedselvoorziening en landgebruik?

Eerder actie nodig

De onderzoekers pleiten er daarom voor eerder in actie te komen. Mede-onderzoeker Niklas Höhne van de Wageningen Universiteit hoopt in een reactie op vragen per e-mail op een „samenspel tussen maximale energie-efficiëntie, elektrificatie van de energievoorziening en hernieuwbare energie, vooral wind en zon”. Michel den Elzen, die voor het Planbureau voor de Leefomgeving aan het onderzoek meewerkte, wijst in een e-mail expliciet op initiatieven van bedrijven, steden en lokale overheden, die ook op de klimaattop in Parijs zeer actief waren.

Toch ook optimisme

Ondanks alle somberheid eindigt het onderzoek optimistisch. Politici ontdekken de sociaal-economische voordelen van de reductie van broeikasgassen. En steeds meer burgers, maatschappelijke en religieuze organisaties zijn doordrongen van de noodzaak van verandering. Het momentum voor klimaatactie is, schrijven de onderzoekers, na de succesvolle klimaattop in Parijs alleen maar groter geworden.

    • Paul Luttikhuis