Hoe kan de EU verder met de Britten?

Nu de Britten aansturen op een vertrek uit de EU rijst de vraag in welke vorm ze toch met Europa verbonden zouden kunnen blijven. Vier modellen.

Foto’s Istock

1. Het Noorse model

Dit is het model waar veel Brexit-kopstukken nu op hinten. Noorwegen is geen lid van de Europese Unie maar wel van de Europese Economische Ruimte (EER), waar 31 landen toe behoren: alle EU-landen, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.

Als het Verenigd Koninkrijk voor dit model kiest, heeft het toegang tot de interne markt van de EU, waar vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal geldt. Het moet zich dan ook aan de EU-regelgeving houden op terreinen als werkgelegenheid, consumentenbescherming, milieu en mededinging. Ook moet het Verenigd Koninkrijk dan meebetalen aan het EU-budget. Een ander nadeel voor de Brexit-stemmer is dat het VK in het Noorse model nog altijd het vrije verkeer van personen moet accepteren en arbeidsmigratie uit de EU dus niet kan inperken. Ook kunnen inwoners van de andere EER-landen visumvrij naar het Verenigd Koninkrijk reizen. Nog een nadeel is dat het land als niet-EU-lid wel de regels over de interne markt moet volgen, maar er niet over mee mag beslissen.

2. Het Zwitserse model

Als het Verenigd Koninkrijk het Zwitserse model wil navolgen, dan kan het op specifieke terreinen een serie van bilaterale verdragen sluiten met de Europese Unie. Op dit moment hebben de Zwitsers 120 van die bilaterale verdragen gesloten met de EU. De Zwitsers hebben geen invloed op het besluitvormingsproces binnen de EU en hebben niet automatisch toegang tot de interne markt. Ze zijn net als Noorwegen lid van de Europese Vrijhandelsassociatie, die het wegnemen van im- en exportkosten van industriële producten tussen een aantal landen beoogt: IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland. De Zwitsers betalen deels mee aan EU-fondsen. Daar willen de Britten juist vanaf. Momenteel is er ook vrij verkeer van personen tussen Zwitserland en de EU en ook dat zien de Britten niet zitten. Het is dus zeer de vraag of dit model een geschikt alternatief is voor het Verenigd Koninkrijk.

3. Vrijhandelsverdrag naar Canadees model

De Britten zullen als economische grootmacht hun eigen op maat gesneden akkoord met de EU willen sluiten. Die overeenkomst zou weleens veel kunnen lijken op het vrijhandelsverdrag dat de Canadezen in 2013 met de EU sloten en dat waarschijnlijk volgend jaar in werking treedt. Zo’n verdrag kan de Britten ruime toegang tot de Europese interne markt verschaffen, terwijl ze het vrije verkeer van arbeidsmigranten uit de EU toch kunnen inperken. Bijvoorbeeld door quota per beroepsgroep in te stellen, al moeten de Britten er dan wel op rekenen dat de EU dat andersom ook zal doen.

Een vrijhandelsverdrag heeft als ander voordeel voor de Britten dat ze geen bijdrage aan de EU-begroting hoeven te betalen en allerlei EU-wetgeving op terreinen als milieubescherming en mededinging niet automatisch hoeven over te nemen.

„Een vrijhandelsverdrag kent in principe geen wederzijdse importtarieven om de eigen producenten te beschermen en is dus goed voor de handel”, zegt hoogleraar internationale economie Steven Brakman van de Rijksuniversiteit Groningen. Maar vrije handel drijven met elkaar zal voor het VK alsnog betekenen dat het veel EU-wetgeving zal moeten respecteren. Hoe zit het bijvoorbeeld met voedselveiligheid? De EU kent wetgeving om te voorkomen dat genetisch gemodificeerde landbouwgewassen in diervoedsel terechtkomen. Als Britse koeien dat soort voedsel wel krijgen, is hun vlees niet welkom op de Europese markt. Ook zullen Britse producenten voor de Europese markt moeten voldoen aan alle productstandaarden en technische eisen die de EU stelt.

En als het VK tijdens de onderhandelingen specifieke wensen heeft, bijvoorbeeld om banken in de Londense City alsnog volledige toegang tot de EU-markt te geven, dan zal de Unie in ruil daarvoor weer grote concessies van de Britten willen. Een standaard vrijhandelsverdrag met de EU zou namelijk een enorme beperking van de markttoegang voor Britse banken betekenen.

„Het gekrakeel begint als een van de partijen bepaalde eisen stelt. Als de Britten dat zijn voor hun financiële sector, dan kan de EU opeens moeilijk gaan doen over toegang tot de Europese markt voor de Britse auto-industrie. Als autoproducerende EU-landen daar voordeel uit halen, dan zal Nederland als land zonder auto-industrie ook weer eisen gaan stellen die voor Nederland gunstig zijn, bijvoorbeeld voor de zuivelindustrie. Zo komt er ook tussen EU-landen onderling een spel van onderhandelingen op gang, waardoor het opstellen van een vrijhandelsverdrag vele jaren kan duren”, zegt hoogleraar Brakman.

Handelsbelemmeringen die de EU en het VK elkaar opleggen kunnen bestaan uit eenvoudige importtarieven, maar ook uit pesterige bureaucratische maatregelen. Brakman: „Een bekend voorbeeld uit het verleden is Frankrijk, dat Japanse audioapparatuur probeerde te weren door het inklaren van die apparaten alleen mogelijk te maken in een moeilijk toegankelijk Frans dorpje.”

In het EU-vrijhandelsverdrag met de Canadezen is de dienstensector slechts gedeeltelijk opgenomen. Een ander heikel punt zal daarom zijn in hoeverre Britse dienstverleners, zoals ict-bedrijven en advocatenkantoren, hun diensten in de EU kunnen blijven aanbieden. Canadese exporteurs moeten bovendien aantonen dat hun producten echt in Canada zijn gemaakt, om te voorkomen dat de EU producten uit andere gebieden importeert zonder importtarieven te heffen. Eenzelfde verplichting voor Britse exporteurs zou weer extra kosten met zich meebrengen. Het moge duidelijk zijn dat de boedelscheiding tussen de EU en het VK nog vele jaren gaat duren.

4. Het Turkse model

Turkije is sinds 1995 lid van de Europese douane-unie. Over onderlinge handel tussen de EU en Turkije worden geen tarieven geheven. Dit geldt niet voor landbouwgoederen en diensten. Turkije heeft daarnaast ook dezelfde externe tarieven als de EU en is zelf ook onderhevig aan dezelfde buitenlandse tarieven die de EU handhaaft. De economische samenwerking binnen de douane-unie is diepgaander dan binnen een vrijhandelsverdrag en moet in het geval van Turkije officieel uitmonden in EU-lidmaatschap. Hier wordt al jaren met wisselende intensiteit over onderhandeld. De kans dat de Britten voor deze constructie kiezen, is dan ook klein. Praktisch gezien zou het betekenen dat de Britten eenzelfde tariefbeleid ten aanzien van derde landen moeten voeren als de EU, terwijl ze dat liever zelf regelen.

    • Maral Noshad Sharifi
    • Wilmer Heck