Recensie

Gefascineerd door een plooi

Als een vreemdeling treedt wereldreiziger Nooteboom schilderijen tegemoet.

Ook in zijn stukken over kunst is Cees Nooteboom een reisschrijver. Allereerst op een vrij banale manier: hij kan het niet laten om het over de logistiek van het kijken naar kunst te hebben. Over de stilzwijgende erotiek van het museum en een vrouw die hij haast per ongeluk aanspreekt. Of hij barst plotseling uit in een geestige filippica tegen een ‘kinderkruistocht’ van achtjarige museumbezoekers: ‘elkaar aan de haren naar de grond trekkend, met harde kindervingers in elkaars ogen, oren en andere holtes priemend en piepend en zwetsend als een lilliputterparlement’. En voordat hij over de schilderijen binnen in El Escorial (het strenge Paleis van de gevreesde Filips II) schrijft, valt hem de symmetrisch geknipte heg op: ‘Zo liet de geest van een tijdperk zich uitdrukken in een rationeel geworden tuinschaar.’

Maar ook op een andere, interessantere manier blijft Nooteboom een reiziger: hij treedt de kunstwerken die hij ziet steeds als een vreemdeling tegemoet: niet als de kenner, maar als de observator die veinst even argeloos te zijn als de mensen voor wie hij schrijft. Ergens schrijft Nooteboom dat hij altijd bang is dat er een kunsthistoricus achter hem staat die hem betrapt op domme uitspraken of gedachten. Die bescheidenheid neigt soms wat naar koketterie, want Nooteboom zorgt er wel degelijk voor dat hij weet waarover hij schrijft.

Maar het wérkt. In de nu verschenen verzameling Wat het oog je vertelt. Kijken als avontuur fungeert Nooteboom als prettig gezelschap dat een leegte midden in een ets van Tiepolo kan aanduiden als een Big Bang. Of hij vraagt zich in een stuk over abstracte kunst af waarom de mystiek van oude boeddhistische denkers hem kan boeien zonder dat hij erin gelooft, terwijl hij recentere Europese theosofen onverdraaglijk vindt? Bij ‘de Steiners, de Besants, de Ouspensky’s of hoe ze ook allemaal mogen heten’ leest hij ‘gedrochtelijke constructies vol heimwee naar duistere tijden, uitsluitend omdat ze het antwoord op hun toevalligheid niet weten’. Om daar, ineens programmatisch, aan toe te voegen: ‘Men kan zijn toevalligheid toch ook koesteren.’

Plooien in witte gewaden

Juist in het schemergebied tussen figuratie en abstractie tast Nooteboom graag rond. Door een paar keer over Mondriaan te schrijven, maar ook waar hij aandacht vraagt voor Francisco de Zurbarán – de Spaanse schilder die het centrum van Nootebooms kunstliefde is (en niet alleen van die van hem). Steeds weer keert hij terug naar Zurbarán (1598-1664), waarbij hij eindeloos kan kijken naar de plooien in de witte gewaden van Zurbaráns monniken. Hij stelt zich voor hoe groot het oppervlak is dat Zurbarán bijeen geschilderd zal hebben – het moeten honderden vierkante meters geweest zijn. Terecht verbindt hij de schilder met de Spaanse mystiek uit de zestiende eeuw, die de kunstenaar goed gekend moet hebben. Precieze verbanden legt hij niet (pas op voor meeluisterende kunsthistorici!), maar hij zet Zurbarán, Mondriaan, Cézanne, Teresa van Ávila en zelfs die vermaledijde theosofen fraai bij elkaar. Hij haalt Wittgensteins adagium aan dat men moet zwijgen over datgene waarover men niet spreken kan, maar had evengoed diens uitspraak ‘er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke’ kunnen citeren. Dingen niet invullen is ook een manier om het toevallige te koesteren.

Het grootste deel van de essays in het vijfhonderd pagina’s dikke Wat het oog je vertelt verscheen eerder in Nootebooms boeken, maar een aantal (vooral recente) artikelen is alleen in buitenlandse bladen gepubliceerd. Ook kijkt Nooteboom niet alleen naar schilderijen: een flinke sectie is ingeruimd voor fotografie, al zitten er bij die stukken over die ‘historici van het zichtbare’ ook enkele die aan de lichte kant zijn (over Anton Corbijn bijvoorbeeld). Maar ook een Nooteboom op halve kracht weet te verrassen. Zo verbeeldt hij zich aan het slot van een stuk over een fotoboek vol aardse misstanden hoe de Schepper zou reageren als hij dit beeldverslag van zijn maaksel onder ogen kreeg. Met het gebaar ‘van de schilder die naar zijn schilderij kijkt en niet zeker weet of het wel helemaal gelukt is, maar te moe is om het nog eens over te doen.’

De stad als stenen boek

Het boek besluit met twee aanstekelijke stukken over ‘Nooit gebouwd Nederland’ en de stad als ‘stenen boek’, maar het best is Nooteboom toch op dreef als hij over Spanje schrijft. Over de hardheid van het landschap, over Sevilla als oase en over de intimiteit van de hofschilderijen van Velázquez. Hier geldt datgene wat Nooteboom elders aan Cas Oorthuys toeschrijft: de liefdevolle blik. Die geeft hij vooral aan Velázquez en het is uiteindelijk ook het wezenskenmerk van hoe Nooteboom in zijn essays kijkt: met het verlangen om iets nieuws te ontdekken, maar vooral om te koesteren wat hem al dan niet toevalt.

    • Arjen Fortuin