‘Een excellente mossel, en dat gif spoelt er vanzelf wel uit’

Oosterschelde

Je zenuwstelsel aangetast door mosselen? Onnodige paniek, zeggen de vissers. „Anders waren wij zelf toch ook allang ziek geworden?”

„Heerlijk.” Mosselkweker Jos Steketee uit Yerseke snijdt, wijdbeens staand op het schip YE-55, een zojuist opgeviste schelp open, laat het licht oranje vlees boven zijn mond hangen en slurpt het naar binnen. „Rauw zijn ze het lekkerst”, stelt hij. „De smaak komt het meest tot z’n recht als je het zoute water van dit unieke stuk natuur achter op je tong proeft.”

Steketee weet hoe hij reclame moet maken bij de opening van het mosselseizoen. „Ze zijn dit jaar van uitzonderlijk goede kwaliteit.” Hij snijdt een tweede mossel open. En nog een. „Kijk ze eens liggen. Groot en vol in de schelp.” In de keel ermee.

De mosselvissers hebben de tegenaanval ingezet. Vijf dagen geleden kwam het nieuws, na overleg met de sector naar buiten gebracht door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), dat „uit voorzorg” een handelsverbod was ingesteld voor mosselen en oesters uit het oostelijk deel en de noordelijke tak van de Oosterschelde. Bij reguliere metingen was de stof tetrodotoxine (TTX) aangetroffen, „een uiterst giftige stof die het zenuwstelsel kan aantasten”, aldus de NVWA. Waar de stof – een natuurlijk gif, bekend uit tropische vissen – vandaan komt, is onduidelijk.

Een fikse tegenvaller voor de sector, natuurlijk. Maar de media moeten de zaak ook niet overdrijven. „We beschikken over een uitgebreid monitoringsprogramma in het water. Er komt nooit één mossel aan de wal die niet goed is”, zegt Wouter van Zandbrink, voormalig gedeputeerde in Zeeland en sinds kort voorzitter van Vereniging De Mosselhandel, die enkele grote handelaren vertegenwoordigt.

De mosselen die vanaf vandaag op het bord belanden, zijn van excellente kwaliteit, zeggen de mosselvissers. „Anders waren wij zelf toch ook allang ziek geworden?”, zegt kweker Marinus Padmos uit Bruinisse. „De normen voor deze stof zijn in Japan honderd keer hoger en in de rest van Europa twintig keer hoger.” Van Zandbrink: „We hanteren een zerotolerancebeleid.”

Gesloten wateren

De mosselvissers zeggen te begrijpen dat de NVWA een „eigen verantwoordelijkheid” heeft, maar ze vinden ook dat er „onnodig paniek” is gezaaid. Om te beginnen worden in desbetreffende gebieden vrijwel geen mosselen gekweekt. Er is dus geen sprake van een tekort aan mosselen dit jaar, waarvan het seizoen overigens „uitzonderlijk vroeg” is begonnen – namelijk twee weken eerder dan gemiddeld, dankzij „een combinatie van een zonnig voorjaar en veel regenval”, aldus mosselkweker Cees Otte uit Bruinisse.

Helaas bevinden zich in de gesloten wateren wel enkele zogenoemde „verwateringspercelen”, waar volgroeide mosselen op een harde veenbodem tijdelijk worden ondergebracht om „zandvrij” te kunnen worden.

Van Zandbrink: „Wij spreken van natte pakhuizen. Die pakhuizen zijn we nu tijdelijk kwijt.”

En dat vormt een „logistieke uitdaging”. Een deel van de gekweekte mosselen wordt nu zonder ‘verwatering’ direct aan wal gebracht, waar ze in de verwerkende bedrijven extra moeten worden gespoeld. Ook worden bestaande kweekpercelen tijdelijk gebruikt om mosselen te laten verwateren.

Dat het gif zich onverhoopt verder verspreidt, over een groter deel van de Oosterschelde, lijkt Van Zandbrink onwaarschijnlijk. „Er stroomt twee keer per dag schoon water vanuit de Noordzee naar binnen. Het is niet voor niets dat de stof is het oostelijke en noordelijke deel is aangetroffen.” Dankzij de „zelfreinigende werking” van de Oosterschelde zal de giftige stof vanzelf verdwijnen, verwacht hij. En mocht alles tegenzitten, dan zijn er nog altijd de percelen op de Waddenzee. „Er zijn echt volop mosselen.”

De affaire gaat de mosselsector hoe dan ook geld kosten. De „logistieke uitdaging” weegt daarbij minder zwaar dan de kosten voor onderzoek. Kwekers en handelaren gaan samen betalen voor een fonds om meer onderzoek naar de kwaliteit van de mossel mogelijk te maken. Vervelend, maar overkomelijk. Het enige wat de mosselhandel eigenlijk écht zorgen baart, is een mogelijke reactie van de consument. Van de totale afzet nemen de Belgen ongeveer tweederde voor hun rekening. Blijven ze dat doen? Blijven ze ook dit jaar weer „reikhalzend uitkijken naar de komst van de Zeeuwse lekkernij”, zoals de mosselhandel het formuleert? Blijven de Nederlanders hun mosselen eten? En wat gaan de Duitsers doen, uitgerekend nu de sector middels een promotiecampagne probeert ook hen wat vaker achter de mosselpan te krijgen?

Irrationele reacties van consumenten zijn niet onmogelijk. „Dat zie je vaker”, zegt kweker Steketee. De eerste signalen zijn niettemin hoopgevend, constateert zijn collega Marinus Padmos. „Er is geen enkele terugloop in de bestellingen.”

    • Arjen Schreuder