Recensie

Die verdreven en gehate kolonialen

Wie Zimbabwe zegt, denkt aan bloedvergieten en corruptie. Maar wat was eigenlijk de rol van de Nederlandse planters?

Als Zimbabwe in het nieuws is, gaat het meestal over Robert Mugabe, op zijn 92ste ’s werelds oudste staatshoofd en al vijfendertig jaar onafgebroken aan de macht. Of over de door hem aangemoedigde genocide, in de vroege jaren tachtig, op duizenden leden van het Ndebele-volk; over het geweld waarmee blanke boeren van hun grond werden verdreven; of over de zieltogende economie. Wanneer we met een licht superioriteitsgevoel het hoofd schudden over wat er mis is in Zimbabwe, vergeten we bijna dat we er bepaalde banden mee onderhouden. Wat dat betreft maakt journalist Marnix de Bruyne in zijn boek We moeten gaan een vergeten geschiedenis zichtbaar. Zo schrijft hij over Nederlanders die in de jaren vijftig succesvolle tabaksplantages en landbouwbedrijven opzetten, maar ook meevochten aan de kant van het blanke minderheidsbewind toen dat bedreigd werd door zwarte guerrillastrijders. De meeste van die landgenoten hebben onder druk have en goed opgegeven. Toch zijn er nog enige honderden die via cell phone farming hun bezit op veilige afstand blijven besturen.

Persoonlijke verhalen

De Bruyne reisde in 2002 naar Zimbabwe om na te gaan hoe Nederlandse emigranten betrokken raakten bij de geschiedenis van dit tamelijk jonge land. Hij was vooral geïnteresseerd in de persoonlijke verhalen achter de aangedikte propaganda en de kille statistieken, hoe moeilijk het een ook van het ander viel te scheiden. In 2012 bezocht hij Zimbabwe nogmaals en sprak er met informanten aan weerszijden van het politieke spectrum.

Een belangrijke rol bij de aanwezigheid van al die Nederlanders in Zimbabwe speelden de Britse en Nederlandse overheden. Zij moedigden de emigratie naar Rhodesië indertijd van harte aan. Onze regering wist tussen 1948 en 1965 te bereiken dat ruim vierhonderdduizend Nederlanders ervoor kozen om hun geluk in andere werelddelen te beproeven. Dat was hard nodig na de Duitse bezetting, het bnp dat met zo’n dertien procent daalde na het verlies van Nederlands-Indië en de opvang van ruim driehonderdduizend gerepatrieerde onderdanen.

Een van De Bruyne’s verhalen gaat over Coen en Veerle Schippers en hun boerderij Tanah Kita (‘Ons Plekje’). In 2003 werden ze verdreven door met kapmessen zwaaiende, merendeels piepjonge ‘oorlogsveteranen’. Schippers heeft er achteraf zowaar begrip voor, zelfs nu hij zijn welvarende plantersbestaan heeft verruild voor een Nederlands bestaan in de bijstand. Ook is er het verhaal van de ‘vasthoudenden’. Zo woont de blanke boer Stix in zijn eentje op zijn hoeve. Hij stond achter de noodzakelijke landhervormingen en werd na de machtswisseling lid van Mugabe’s Zanu-partij. Tijdens de landhervorming verdeelde hij zijn landerijen in drieën, hield een derde voor zichzelf en schonk twee delen aan echte oorlogsveteranen met invloed in de landelijke organisatie. Dit hielp totdat in maart 2005 minister Mutasa de boerderij kwam opeisen. Sindsdien heeft Stix veertigduizend dollar uitgegeven aan 103 verschillende rechtsprocedures.

Tijdens een van die zaken stormde Mutasa de rechtszaal binnen en schreeuwde: ‘Waar is die witte die me hier heeft laten komen, ik háát witten’. Stix won zijn zaak, maar kreeg kort daarna bezoek van een groep Zanu-PF-jongeren. ‘Ze bonden hem aan de tafel vast, overgoten hem met diesel en, sleepten hem toen die niet wilde ontbranden, naar het grasveld, waar ze hem bont en blauw sloegen.’

Haatdragend racisme

De blanke boeren die De Bruyne sprak, vertegenwoordigen een spectrum van haatdragend racisme en angstig wantrouwen tot laconieke onverschilligheid, en in het uiterste geval zelfs een zekere verslaving aan het opwindende gevaar. Zijn zwarte gesprekspartners laten een minstens zo geschakeerd beeld zien. De een vindt dat er misschien te hard tegen de blanken is opgetreden, een ander denkt dat sommige blanken hadden moeten blijven om de nieuwe landeigenaren wegwijs te maken, een derde beschouwt de onteigeningen als een vorm van vergelding voor de manier waarop de zwarte arbeiders door hun bazen zijn behandeld.

Mede dankzij het hoor en wederhoor en degelijke research geeft De Bruynes boek een inzichtelijk en genuanceerd beeld van een halve eeuw Nederlandse aanwezigheid in Zimbabwe. Bovendien weet hij mooi aan te haken bij de actuele migratieproblematiek. Zo merkt hij op dat de Nederlandse landverhuizers in zekere zin de economische vluchtelingen van de jaren vijftig waren. ‘Zij konden tamelijk probleemloos een nieuw bestaan opbouwen dankzij de bereidheid van emigratielanden als Zuid-Rhodesië hen op te nemen, en dankzij hun geordende vertrek vanuit Nederland. Je zou het de vluchtelingen van tegenwoordig toewensen.’

Intussen maakt Zimbabwe zich op voor de verkiezingen van 2018. Zanu-PF en de oppositiepartijen zijn hard op zoek naar mogelijke leiders in het geval dat Mugabe binnenkort de geest geeft. In Amersfoort kijkt de familie Schippers op haar eigen manier terug. Vader Coen: ‘We leefden natuurlijk als kolonialen in Zimbabwe.’

    • Annemarie van Niekerk