Voor dit museum is een verzamelaar een extra paar ogen en oren

Kunst Het Amsterdam Museum haalt de band met verzamelaars aan, met het oog op schenkingen, maar ook om gebruik te maken van hun expertise.

Een tiental mannen en een drietal vrouwen schuifelt in een lange kamer met uitzicht op het IJ langs een tafel waarop een veertigtal tekeningen ligt uitgestald. Zachtjes wisselen ze commentaar uit. Over de mate van detaillering door de kunstenaar, over het behoud van de kleuren of over de begeleidende tekst. „Een duinachtig landschap bestaat niet”, zegt een heer tegen de conservator, „alleen een duinlandschap”.

Dit zijn leden van de Tafel voor Tekeningen en Prenten van het Genootschap van het Amsterdam Museum. Verzamelaars en enkele kunsthistorici met een liefde voor tekeningen en prenten fietsen twee keer per jaar van de pont over het IJ naar het Collectiegebouw van het museum op een industrieterrein in Amsterdam-Noord voor een zogeheten schouw. Daar kunnen ze, vaak met handschoenen aan, kunstwerken bekijken die voor het publiek verborgen blijven. „Er zijn weinig exposities van tekeningen en prenten, dus voor ons is dit heel belangrijk”, zegt schouwvoorzitter Chris van Eeghen, in het dagelijks leven advocaat. „Anders zie je ze nooit.”

De verzameling tekeningen op de tafel is geschonken door een van de leden. Coen Schimmelpenninck van der Oije en zijn zoon Willem kijken van enige meters toe hoe de anderen zich buigen over stadstekeningen van Amsterdam of van boerderijen in de omgeving van Hattem van de achttiende-eeuwse kunstenaar Anthonie van den Bosch. „Bij een vorige schouw liet het museum werken zien uit de Fodorcollectie”, vertelt Coen Schimmelpenninck van der Oije, voormalig directeur van het Historisch en het Maritiem Museum Rotterdam. Over die Fodorcollectie, 2500 tekeningen die in 1860 zijn nagelaten aan de gemeente Amsterdam, spreken de leden van de schouw met een stille eerbied.

Schimmelpenninck: „Ik wist dat ik nog een oude doos met tekeningen had. Wie ze had gemaakt, wist ik niet. Het is de originele doos, waar ze nauwelijks uit zijn geweest. Daarom zijn ze nog zo goed van kleur. Ik heb de volgende keer die tekeningen meegenomen om hier te bekijken.”

Conservator Tom van der Molen deed verder onderzoek en legt deze middag uit hoe hij door de achterkant van twee van de tekeningen uitvond dat de kunstenaar Van den Bosch was, een schilder uit de omgeving van Jacob Cats. Eén werk, een stadsgezicht op de Dam, heeft het Amsterdam Museum van Van den Bosch. Een ander exemplaar van die prent had de kunstenaar in stukken gesneden om de achterkant van het papier te gebruiken voor deze twee tekeningen. „Ik had eerlijk gezegd ook nog nooit van Van den Bosch gehoord”, geeft Schimmelpenninck toe. „Maar omdat het museum al een werk van hem heeft, heb ik deze collectie nu geschonken.”

Verzamelaars volgen met hun jagersinstinct wat er op de markt verschijnt

Met zijn schenking heeft hij precies gedaan waar het Amsterdam Museum stilletjes op hoopt. Schenkingen verwerven was niet het ultieme doel van het museum, toen de vorige, inmiddels naar Berlijn vertrokken, directeur Paul Spies ruim zes jaar geleden het initiatief nam om het Genootschap een nieuw leven in te blazen. Wel wilde hij de band met verzamelaars nauwer aanhalen. „Door bezuinigingen nog voor mijn aantreden was het aantal conservatoren uitgedund. De overgebleven conservatoren hebben hun tijd vooral nodig voor programmering, en komen minder toe aan onderzoek. Verzamelaars kunnen ons met alle kennis die zij hebben helpen. En nu zit u hier met een zaal vol”, zei Spies vorig jaar op de eerste lustrumbijeenkomst.

Zo is het Amsterdam Museum een voorloper in een trend die bij meer musea te zien is. Ze willen nauwer contact met verzamelaars, die een lange periode vaak door musea op grote afstand zijn gehouden. Nu worden ze geapprecieerd: als mogelijke schenkers, maar ook als experts en als ambassadeurs voor het museum.

Het Genootschap kent zeven tafels van verzamelaars: naast deze zijn er tafels voor kostuums, munten en penningen, zilverwerk, porselein, stadsgezichten en moderne en hedendaagse kunst. Een achtste tafel, op het gebied van juwelen, is in oprichting. Het museum ziet de verzamelaars ook als een paar extra ogen en oren op de kunstmarkt. „Zij volgen met hun jagersinstinct veel beter wat er op de markt verschijnt. Ze attenderen ons erop als een stuk op een veiling komt dat een aanwinst voor onze collectie kan zijn”, vertelt conservator Norbert Middelkoop.

Met schenkingen komen de leden weer in de buurt van de historie van het Genootschap. Dat werd in 1960 opgericht toen de collectie van W.J.R. Dreesmann op de veiling werd gebracht door zijn erfgenamen. Eigenlijk had hij die bij zijn overlijden in 1954 nagelaten aan de stad Amsterdam, maar deze zag van het legaat af omdat Dreesmann er de eis aan had verbonden dat in zijn woonhuis aan de Johannes Vermeerstraat het museum gevestigd zou worden. Dat bleek onmogelijk. Om een deel van de collectie toch veilig te stellen, brachten Amsterdammers geld bijeen en richtten ze het Genootschap op om delen van de collectie te verwerven.

Het Genootschap doet zo weer een beroep op oude tradities. „In de negentiende eeuw is in de regententraditie veel door verzamelaars aan de stad geschonken”, zegt Rutger Schimmelpenninck (geen familie), voorzitter van het Genootschap. „Misschien komt dat voorzichtig terug”, hoopt de man die vooral bekend is als curator bij de faillissementen van onder andere Fokker en DSB. Hij verzamelt penningen, al sinds zijn zevende. Vorig jaar gaf hij het goede voorbeeld. Hij schonk een zeldzame brandpenning.

    • Daan van Lent