Als oermens tegen de stroom in

Het uitgaansleven in Berlijn inspireerde choreograaf Jefta van Dinther tot zijn nieuwe dansstuk Protagonist. ‘Helemaal in het heden staan, dat doen we bijna nooit, maar in een club wel.’

Het Cullberg Ballet in Van Dinthers nieuwe dans ‘Protagonist’, over ‘een gemeenschap als protagonist’. Foto Urban Jörén

Een beetje vereerd is hij wel. Mats Ek, de grote Mats Ek, jarenlang boegbeeld van de Zweedse danswereld, heeft rondgebeld om naar hem, Jefta van Dinther, te informeren. Wat voor snuiter dat was, die jonge Zweeds-Nederlandse choreograaf, en of zijn werk zo goed was als men hem had voorgespiegeld.

Van Dinther vertaalt het verhaal in de hippe Stockholmse wijk Södermalmen, tijdens een diner met medewerkers van Protagonist, zijn nieuwe choreografie. Een duister werk vol existentiële vragen over identiteit, hoe te leven, de noodzaak tot verandering. Over individualiteit en gemeenschapszin. Continue ontwikkeling en regressie. In Julidans, 30 juni t/m 10 juli, beleeft het stuk zijn wereldpremière, later staat de voorstelling in het jubileumprogramma van het Cullberg Ballet – naast een oud werk van Ek.

Aan tafel meer Nederlanders. Naast Van Dinther componist David Kiers ook Gabriel Smeets, voormalig directeur van de Amsterdamse School voor Nieuwe Dans Ontwikkeling. Sinds 2014 voert Smeets de artistieke directie van het fameuze Cullberg Ballet, waar hij regelmatig choreografen van buiten de geijkte dansmakerspool uitnodigt. Een oudgediende als de Amerikaanse postmoderne danspionier Deborah Hay bijvoorbeeld, maar ook jongere makers als de Hongaarse Eszter Salamon (ook in Julidans) en Van Dinther.

Smeets en Van Dinther kenden elkaar al uit Nederland. Daar volgde de laatste zijn dansopleiding aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunst. Maar hoewel geboren in Utrecht (in 1980), voelt hij zich meer Zweed dan Nederlander. Zijn vroege jeugd bracht hij door op het Zweedse platteland, waar zijn ouders lid waren van een christelijke gemeenschap. „Het was hippie-achtig, met corvee, rantsoenen en gezamenlijke maaltijden”, vertelt Van Dinther de volgende dag, achter een gezond fruit-en-yoghurtontbijt op een zonnig terras. „Ook patriarchaal en een beetje sektarisch, zeg ik terugkijkend. Maar ik heb geen slechte herinneringen aan mijn jeugd; voor een kind was het een prachtig leven. Wel was ik altijd een buitenbeentje op de dorpsschool daar, met mijn tweedehandskleren.”

Vader Van Dinther werd regelmatig de wereld ingestuurd om het Woord te verspreiden. Soms ging het gezin mee en werd de jonge Jefta (zijn Bijbelse naam betekent ‘Moge Hij openen’) ingezet bij religieuze toneelstukjes. Maar dopen – de Zweedse groep was een baptistengemeenschap – liet hij zich nooit. De kennismaking met de Stockholmse stadscultuur was één reden. Het feit dat God niet tot hem sprak, dat híj niet in tongen kon spreken als hij die inspiratie vroeg, waren daarnaast teleurstellingen die hem aan het twijfelen brachten.

Depressief en succesvol

Van Dinther vertelt zijn verhaal uitgebreid en openhartig, iets wat hij pas sinds kort doet. Door een fikse depressie is hij anders tegen een aantal vragen gaan aankijken. „Depressie, of burn-out. Het een wordt geassocieerd met je privéleven, het andere met je professionele bestaan. Bij mij liep dat volkomen door elkaar. En het werd nog eens aangewakkerd door het feit dat mijn werk goed werd ontvangen: hoe kun je nou depressief zijn als je succesvol bent? Kwam er nog schuldgevoel bovenop ook.” Een van de dingen die hij nu anders beziet, is zijn eigen, jonge oeuvre. Ineens – onbegrijpelijk bijna dat hij het niet eerder opmerkte – ziet hij hoe zijn leven erin wordt weerspiegeld, met name in recentere stukken. Zijn verbroken relatie in het mannenduet This Is Concrete (2012), zijn gevoel van vervreemding (en reminiscenties van het ‘speaking in tongues’ van de vroegere gemeenschapsleden) in As it Empties Out (2013), thema’s als gemeenschap, uitsluiting, samenkomen in congregaties, rituelen in het internationaal succesvolle Plateau Effect (2013, ook voor Cullberg Ballet) en Protagonist.

De interpretatie dat Protagonist over Jefta van Dinther gaat, is echter te gemakkelijk: er staan veertien uitgesproken individuen op het toneel. Ieder met een eigen expressie, een eigen plaats in de groep, een rol die bovendien alterneert: het ene moment is de een protagonist, het volgende staat een ander centraal.

„Het gaat over een gemeenschap als protagonist, als krachtige entiteit. Daarbinnen is ieder op zoek naar een deal met de ander of zichzelf, een manier om in deze wereld te leven.”

Sommigen, onder wie Smeets, zien ook duidelijke verwijzingen naar het clubleven in Berlijn, waar Van Dinther – die daar een deel van het jaar woont en werkt – zich in onderdompelde. „Mijn heftige clubleven is voorbij hoor”, lacht hij. Maar hij begrijpt de associatie. „Ons bestaan is zo geladen met wat we meedragen uit het verleden en we zijn zo nerveus over de toekomst. Helemaal in het heden staan, dealen met wat er ís, doen we bijna nooit. Maar in een club wel. Je beleeft samen iets, met mensen die je niet kent, nu, hier. Mensen geven zich over aan iets wat niet tot de materiële wereld behoort – de essentie van een ritueel. Dat maakt het interessant voor mij.”

Protagonist wordt een opmerkelijk ‘leesbare’ voorstelling, ook voor toeschouwers die Van Dinthers persoonlijke geschiedenis niet kennen. Er is een bijna narratieve lijn die zich ontwikkelt van chaotische individualiteit en krioelende beweging naar een groep die zich als een soort oermensen beweegt, traag, de rug gekromd.

Van Dinther: „De dansers gaan voorwaarts door tegen een ontwikkeling in te bewegen, achteruit te gaan. Dat is voor mij ook evolutie.”

    • Francine van der Wiel