Aanstaande leerkrachten kennen thema slavernij

De Nederlandse betrokkenheid bij de slavenhandel in de zeventiende en achttiende eeuw is onder aanstaande leerkrachten een van de meest bekende historische gebeurtenissen uit de zogenoemde canon van Nederland. Kennis daarover doen jongeren vooral op school op.

Dat blijkt uit onderzoek van Arie Wilschut, historicus en lector didactiek van de maatschappijvakken aan de Hogeschool van Amsterdam. Zijn artikel ‘Carrying with you what your ancestors have done...’ verschijnt volgend jaar maart in de London Review of Education.

Van de vijftig ‘vensters’ uit de canon, ruggengraat van het geschiedenisonderwijs op school, komt ‘Slavernij ca. 1637-1863’ op de elfde plaats in het onderzoek van Wilschut. Hij ondervroeg 293 eerstejaars studenten van de lerarenopleidingen – 209 die de opleiding voor basisschoolleerkracht volgden, 84 die geschiedenisleraar wilden worden. Zij moesten de canononderwerpen een cijfer van 1 tot 10 geven naarmate ze die beter kenden. En ze moesten zeggen of ze het onderwerp ‘zelf’ kenden, of dat ze zich herinnerden dat ze er op school over hadden geleerd.

Het onderwerp ‘In de 17de en 18de eeuw namen Nederlandse kooplui actief deel aan de slavenhandel’ kreeg van de ondervraagde studenten een kleine 7 waar het op hun ‘eigen’ kennis aankwam. En een 9,4 onder het kopje ‘herinner me dat ik er les over kreeg’. Onderwerpen als de Tweede Wereldoorlog, Anne Frank en de VOC kwamen nog hoger uit. Helemaal onderaan bungelden de culturele vensters als het planetarium van Eise Eisinga, de Statenbijbel, maar ook de Nederlandse rol bij ‘Srebrenica’.

Wilschut vond de hoge positie voor het slavernijverleden verrassend. „De slavenhandel wordt regelmatig door Nederlanders van Caribische afkomst voorgesteld als een weggemoffelde zwarte bladzijde van de Nederlandse geschiedenis. Dat blijkt voor deze generatie scholieren niet te kloppen.”

    • Bas Blokker