Trouwambtenaar

In vroeger tijd werd de wet gehandhaafd door zwaarden, kogels en trouwringen. Tegenwoordig wordt de wet gehandhaafd door metaaldetectoren. Op de dag dat ik voor de rechtbank Rotterdam verschijn, moet ik door zo’n Schipholpoortje. Mijn tas en jas rollen door de scanner, mijn paspoort wordt gekopieerd, mijn oksels gefouilleerd. Het is makkelijker om een vliegtuig in te komen.

Eenmaal binnen blijk ik niet de enige te zijn die een proces-verbaal wacht: tientallen anderen staan voor de nog gesloten zaal. De meesten zijn omringd door vrienden, geliefden, misschien advocaten (maar die zijn tegenwoordig net zo vaak in burger als een terrorist).

Ik knijp in de hand van mijn beste vriend. Hij probeert me gerust te stellen en zegt dat alles goed zal komen. Desondanks ontsnapt me een sliertje angstkwijl wanneer de cipier ons oproept de zaal te betreden.

Het is de eerste keer dat ik voor de rechter moet verschijnen. Er hangt licht dat zo fel is dat je er een chirurgische ingreep zou kunnen verrichten.

„Hoi jongens!”, zegt de rechter. Hij is in een goede bui. Deze zitting staat niet in het teken van straf, maar van de liefde. Voor hem staat een massa die hij mag beëdigen als buitengewoon trouwambtenaar. Hij hoeft vandaag geen kinderbepotelaars of ander ongedierte naar de bajes te sturen (al kun je natuurlijk ook zeggen dat het huwelijk een vorm van hechtenis is, maar dat geheel terzijde).

Hoewel me geen gevangenis of boete wacht, ben ik toch een beetje gespannen. Misschien is het de extreme beveiliging. Misschien omdat ik binnenkort twee mannen in de echt mag gaan verbinden en de homoscene nog nabeeft van de schietpartij in Orlando. Misschien heeft het er ook mee te maken dat de rechtsstaat in Amerika maar ook in Europa steeds kwetsbaarder wordt, nu steeds meer groeperingen het heft in eigen handen willen nemen.

Toen in het geboortedorp van een vriend bekend werd dat hij op mannen viel, moesten vooral zijn ouders het ontgelden. Er waren mensen die vonden dat ze de geaardheid van hun zoon hadden moeten tegenhouden. Sommige van die droeftoeters zeiden zelfs dat ze ‘ervoor hadden moeten gaan liggen.’ Alsof een homohuwelijk het kappen van een regenwoud is, in plaats van het oogsten van regenbogen.

Als ik bij God heb gezworen een goede trouwambtenaar te zullen zijn, roept iemand uit de zaal dat het toepasselijk is om nu het gedicht ‘Het Huwelijk’ te citeren, van Elsschot. Het is vast niet kwaad bedoeld, maar ik kan even alleen maar denken aan de regels ‘doodslaan deed hij niet/ want tussen droom en daad staan wetten in de weg.’ En heel veel metaaldetectoren.

    • Ellen Deckwitz