Op de prikpost

‘Misschien kun je ook te vriendelijk voor de mensen zijn”, zei de vriendelijke vrouw uit mijn kennissenkring. Zo’n sceptische opmerking had ik uit haar mond nooit eerder gehoord, dus begon ik voorzichtig te graven naar onderliggende motieven. Ik belandde snel in vruchtbare aarde.

Voor bloedafname had ze naar een medische post, ook wel prikpost genaamd, gemoeten. Het was stil, er zaten maar twee mannen te wachten. Het apparaat met de wachtbonnetjes bleek niet goed te werken, maar een van de wachtenden, een oude Marokkaanse man, wees al op zichzelf en zei in moeizaam Nederlands: „Ik ben na die meneer.”

De vriendelijke vrouw knikte en ging zitten, terwijl de andere wachtende man werd binnengeroepen.

Toen kwam er een vrouw van een jaar of veertig binnen, een struis type, die een onverschillig klinkende groet mompelde en naast de vriendelijke vrouw en tegenover de Marokkaanse man plaatsnam. Ze graaide een Story van ruim een jaar geleden van de tafel – hoe komen ze toch in al die wachtkamers aan zulke oude roddelbladen, worden die speciaal voor dit doel gerecycled? – en begon erin te bladeren.

Kort nadat de Marokkaanse man aan de beurt was gekomen, stapte een keurige dame van in de zeventig binnen, die met zachte stem aan de twee wachtende vrouwen vroeg: „Heeft u erg veel haast?”

Het struise type knorde afgemeten: „Ik wél.” De oude dame wendde zich tot de vriendelijke vrouw en vroeg: „En u?” De vriendelijke vrouw aarzelde even en zei toen: „Ik heb wel wat tijd, u kunt voorgaan.” „Dat zou fijn zijn”, zei de oude dame, „want ik heb de dingen verkeerd gepland en mijn tram kwam te laat, waardoor mijn dochter straks voor een gesloten deur staat. Ze komt me elke week een middagje opzoeken.”

Ze hijgde licht en maakte een nogal ontredderde indruk. Het tijdperk van de mobiele telefoon leek nog niet voor haar aangebroken. Soms geeft dat een hele rust, maar het heeft ook nadelen.

De Marokkaanse man kwam naar buiten en verliet groetend het pand. Meteen stond het struise type op, legde de stukgelezen Story terug en ging het priklokaal binnen, de vriendelijke vrouw in opperste verbouwereerdheid achter zich latend. Het drong tot haar door dat ze nu twéé mensen in plaats van één voor moest laten gaan.

Op dit punt in haar vertelling keek ze me aan en vroeg: „Begrijp jij nou zo iemand?” „Jazeker”, zei ik, „dat jij je plaats had afgestaan, vond ze jóúw zaak, zij wilde daarvan niet de dupe worden.” „Ja”, zei de vriendelijke vrouw, „maar als ik mijn plaats niet had afgestaan, was ze pas na mij aan de beurt geweest.” „Nu profiteerde ze handig en egoïstisch van jouw vriendelijkheid”, zei ik.

De vriendelijke vrouw zuchtte. „Heb je er naderhand nog wat van gezegd tegen die vrouw?”, vroeg ik. Ze schudde het hoofd. Ik had het kunnen weten – daar was ze nu weer net te vriendelijk voor. „Ach”, zei ze, „wat heb je eraan, het ene woord haalt het andere.”

Liever koesterde ze zich in de herinnering aan de oude dame die ze had geholpen. Toen ze als laatste de prikpost had verlaten, zag ze die dame op de tramhalte nog staan wachten.

De oude dame had dankbaar naar de vriendelijke vrouw gezwaaid.

Dat is ook wat waard.

    • Frits Abrahams