Recensie

‘Mijn leven heeft zich afgespeeld in twee millennia, twee centennia en drie decennia, terwijl ik pas negentien ben. Versla de sfinx.‘

Er was geen codekraker als Oidipous voor nodig om dit raadseltje op te lossen. Het stond in 2007 op de Facebookpagina van Natan Haandrikman: ik moest dus ergens eind jaren tachtig van de vorige eeuw geboren zijn. Mijn korte leven had het tweede en derde millennium gezien, de twintigste en de eenentwintigste eeuw, en de drie decennia rond de centennium- en millenniumwisseling. Er waren mensen die heel oud werden en stierven binnen de eeuw die ze ook had voortgebracht. Ik voelde me onsterfelijk door die drievoudige drempeloverschrijding tussen zulke verschillend geaarde tijdblokken, die als steeds kleinere kubussen in elkaar pasten.

Inmiddels was ik, net zesentwintig, aan mijn vierde decennium bezig, maar de gewaarwording dat ik het eeuwige leven had, bleek vervlogen – nog niet zo lang trouwens. Het kwam me verrot slecht uit, want het was de zomer van 2014, en de vuurhaarden in de wereld vermenigvuldigden zich in rap tempo, niet alleen in de vorm van bosbranden. We schreven 17 juli: de volgende dag zou ik naar Israël vliegen om daarvandaan in Gaza de bomkraters te gaan fotograferen. Toegegeven, de beslissing om oorlogsfotograaf te worden viel in de tijd dat ik me nog onsterfelijk als een eenhoorn waande, en het heel normaal vond om met mijn camera explosies vast te leggen een fractie na het inslaan van de raket, terwijl ik verdomd goed wist dat er, zoals het thuis bij de spoorwegovergang heette, ‘nog een trein kon komen’. Ik kiekte het opspuitende stof, dat zich vermengde met de rookzuil, die hoger en hoger klom terwijl het gruis zich alweer neerlegde – tot in mijn mond, waar de kiezen het verder vermaalden. Het was een vak.

Een goddelijke zomer, maar ik had al dagen de grootste mot met Branda, die me niet op reis wilde laten gaan. Ze verfoeide mijn beroep, en ontwikkelde daarbij akelige voorgevoelens, besmettelijk als de pest. Branda was mijn vriendin, mijn meisje, mijn geliefde – al verkeerde ik in onzekerheid of ik haar, zo kort voor vertrek, nog steeds zo mocht noemen. In haar boosheid maakte ze het wel drie keer op een dag uit, soms half hysterisch. Niet zelden eindigde het geruzie in een extatische verzoening, maar het bleef doorgaans onduidelijk of we het echt hadden bijgelegd, want na de ontlading kon ze uiterst prikkelbaar zijn, Branda, en weer over mijn aanstaande wisse dood in Gaza beginnen. Het eindigde ermee dat ze het bed verliet met de gesnauwde mededeling dat ze me ‘vandaag nog’ ging verlaten, om me zo de kans te ontnemen haar op te zadelen met een goedgevulde lijkenzak. Dan weer stond ze verslagen voor het bed. ‘Goed, ik hang de witte vlag uit.’ Ze sloeg de lakens open. ‘Ik geef me over.’

Vaker gaf Branda te kennen dat ik haar maar aan me moest zien te onderwerpen, waarbij ze een enorme vindingrijkheid aan de dag legde om me te ontwijken of zich onder me uit te kronkelen – niet lacherig op de wijze van ‘pak me dan, als je kan’, maar bloedserieus. Branda was net zo min godsdienstig opgevoed als ik, en toch wist ze me altijd het gevoel te geven dat we een doodzonde bedreven. Nee, iets religieus kon het niet zijn, eerder een instinctief overlevingsprincipe van de liefde. Een geheim middel tegen de geslachtelijke sleur. Een giftig afrodisiacum. Ons voorspel leek op het vijandige baltsgedrag onder sommige dieren, die naar elkaar bliezen van afkeer en overgave. Toen we elkaar net kenden, had ik eraan moeten wennen, aan dat van woede vertrokken gezicht onder of boven me, aan dat kwaadaardige gesis en gegrom. Van lieverlede raakte ik eraan gehecht. Het kwam erop neer dat ik Branda telkens opnieuw diende te veroveren, en het bleef altijd de vraag of ze na eindeloze afstoting zou toegeven. Heel soms gaf ze me op een duistere manier (zonder teken, zonder een woord) te kennen dat ze op mij wilde jagen. Ik had ondertussen leergeld betaald, en voelde intuïtief aan dat ik (actief) voor prooi of (passief) voor aas moest spelen.

Hoe moeilijk ook te onderscheiden van haar baltsgedrag, in juli kwam daar dus onvervalste vijandschap bij, vooral sinds mijn vliegticket voor Tel Aviv op de schoorsteenmantel klaarlag. Hoe vaak had ze me inmiddels de bons gegeven? Ik raakte de tel kwijt. Er waren keren dat ik zelfs bij benadering niet wist of haar gespannen gang naar de deur een definitief vertrek inluidde, of dat ze me uitdaagde haar in de rug aan te vallen.

‘Natan, laat dat. Voor mij ben je al dood.’