Terwijl de aangeschoten Russen nog met hun diepladers aan het manoeuvreren waren, kwam van de andere kant

nog een pantserwagen aanrijden, maar die paste zelfs qua legertint niet bij de andere drie. Het voertuig stopte bij de schoolpoort. Door het luik klom een man in een verschoten camouflagepak naar buiten. Oleg herkende hem als iemand van een andere gevechtseenheid. Hij werd Tarakan genoemd. Kakkerlak. Hij droeg een zwarte sjaal om zijn hoofd geknoopt, als een zeerover. De pose van authentiek strijder, van nobele vrijbuiter, van sjofele martelaar voor Novorossija hing Oleg zo langzamerhand de keel uit, en vandaag al helemaal. Met al hun lefgozerij meden de Seps nog steeds het gevecht van man tot man, en beschoten ze de tegenstander liever met artillerie, waarvan ze net deden of die was buitgemaakt op het Oekraïense leger, maar die in werkelijkheid rechtstreeks door de Russen geleverd werd. De fascisten uit Kiev waren trouwens geen haar beter: mortiergranaten, liefst clusterbommen, want ook het leven van de burger in separatistisch gebied was geen flikker waard.

Na een geposeerde aarzeling, alsof hij nog even overwoog een mes tussen de tanden te klemmen, sprong Tarakan van het pantserdek op de grond. Commandant Mazepa ging naar hem toe. ‘De piloot ligt in de kar,’ zei Tarakan. Mazepa: ‘Dood.’ Tarakan: ‘Niet eens zo zwaar gewond.’ Mazepa: ‘Schietstoel dus.’ Tarakan: ‘Die parachute, wat een lap. Daar had de vrouw van De Chocoladen Paashaas voor een hele compagnie camouflagekleding uit kunnen knippen.’ Mazepa: ‘En zijn kist?’ ‘Daar ergens.’ De zeerover gebaarde in de richting van de zwarte rook. ‘Te godgloeiendheet om dichtbij te komen. Boeren met emmertjes water... de brandweer van Torez met een lullig pisstraaltje uit een tuinslang. Geen fijne plek om te gaan barbecueën, Mazepa.’

Uit het schoolgebouw kwam nu de minister van Defensie van de Volksrepubliek Donetsk tevoorschijn met zijn Poolse assistente. Posjlust en Lina hadden dus ook een borrel meegedronken op het succes. Ze liepen wat onvast naar de weg, en keken toe hoe de Russische karavaan zich langzaam in beweging zette. Lina had haar glas nog in de hand, en nipte van de licht groenige drank. Wodka met limoenextract: Oleg kende het loeder. Zelfs tussen haar benen smaakte ze naar het spul. Alleen heksen brachten groene vloed voort.

Uit een lage zijdeur van de pantserwagen werd een geboeide man door Seps naar buiten geleid. Hij hinkte. Zijn gezicht was overdekt met bloederige schrammen. Het tuig van de parachute zat nog om zijn bovenlijf gegord. Rafelig doorgesneden nylon koorden hingen van zijn rug af, als de kat-met-negen-staarten van een flagellant. ‘Naar de kelder met hem,’ riep Mazepa. ‘De lamp is daar sterk genoeg om het vuiltje in zijn oog te zien. Geef hem iets te roken... een sigaret brandt het lekkerst op de huid als hij is aangestoken met de adem van de ondervraagde zelf.’

‘Jaro...!’ Poolse Lina deed een wankele stap in de richting van de vliegenier. ‘Jaroslaw, jij hier... wat...’

De aangesprokene wilde, zo mank als hij was, op haar toegaan, maar werd door de Seps tegengehouden. Oleg sprak geen Pools, maar verstond het wel een beetje. Hij meende de Pool te horen zeggen: ‘Het is niet wat je denkt, Lina. Ik sta aan de goede kant.’

‘Iedereen staat altijd aan de goede kant,’ bitste de vrouw. ‘Jij en ik staan lijnrecht tegenover elkaar. Allebei aan onze eigen goede kant. Daarom noem ik jou een fascist... om ons tweeën uit elkaar te kunnen houden.’

‘Kom, Lina.’ Minister Posjlust leidde zijn assistente bij de elleboog naar zijn SUV. Voordat ze op de bijrijdersstoel kon klimmen, liep Mazepa op haar af. ‘Mevrouw Kosinski, u spreekt Pools en Russisch... wilt u niet tolken bij het verhoor?’

De piloot werd de speelplaats over naar de hal van het schooltje getrapt. Oleg wist dat hij daar langs de keldertrap naar beneden zou worden gesleept. Nog steeds in het Pools riep de man: ‘Lina, doe iets... zeg iets...’

‘Mazepa, u heeft niets aan mij,’ zei Lina. ‘Ik zou van weerzin alles fout vertalen. Ik ben veel te bang zijn leugens recht te breien.’

‘Wee zijn gebeente,’ riep Mazepa. ‘Ik laat geen bot van hem heel. Geen vingerkootje. Ik verbrijzel met mijn eigen voet zijn stuitbeen... dan zal de duivel zijn staart ergens anders moeten laten groeien. Reken op mij, mevrouw Kosinski. Voor pijnkreten hebben we geen tolk nodig.’

Lina stak haar hoofd door het portierraam. ‘Maak hem niet dood, Mazepa. Het is nog altijd mijn broer.’