Spannende koers, geen topeditie

Holland Festival Het Holland Festival sloot dit weekend af met een van de innovaties van directeur Ruth Mackenzie: de Proms in het Concertgebouw.

Scène uit Theatre of the World van Louis Andriessen Foto Ruth Walz

Op de cover van The New York Times prijkte vorige week de naam van het Holland Festival. „Holland Festival Tackles the Enigma That Is Europe” schreef de krant, en citeerde de sindsdien alleen maar urgenter geworden opmerking van de Britse festivalintendant Ruth Mackenzie: wat is er over van de droom van een Europese eenheid?

Met The Edges of Europe als thema zette het Holland Festival dit jaar stevig in op het hier en nu. Maar artistiek gezien waren de meest geëngageerde voorstellingen niet de sterkste. De tekstloze openingsproductie, Die Stunde da wir nichts voneinander wussten van het Thalia Theater Hamburg was teleurstellend. Fraai, knap gecomponeerd, strak uitgevoerd en geestig toneel was het, over de verhouding tussen samenleving en individu, arm en rijk, eerste en derde wereld. Maar het Estse regieduo Tiit Ojasoo & Ene-Liis Semper slaagde er niet in de ideeënaanzetjes uit te werken. De conclusie verraste niet: Europa is passé, de beurt is aan Azië en Afrika.

In de programmering van het festival kreeg die conclusie een vervolg. Het festival is in de kern Eurocentrisch, maar zette met optredens van het Syrian National Orchestra, Afrika Express, inuït-zang, Marokkaanse vioolmuziek en Oekraïense ‘etnochaos’ de deuren nadrukkelijk open.

Die brede blik deelt het festival met zijn interessantste gasten, zoals de Zwitserse theatermaker Milo Rau, die in zijn werk consciëntieus internationale politieke trauma’s ontleedt (Rwanda, Sarajevo, Dutroux). Jammer alleen dat net een van Rau’s mindere voorstellingen werd geselecteerd (het taaie, geposeerde The Dark Ages) terwijl een week ervoor op Spring nog het verontrustende Five Easy Pieces (Dutroux nagespeeld door kinderen) te zien was.

De ambitie politiek relevant toneel van het hoogste artistieke niveau te brengen, ís een lastige: vaak gaan de twee maar moeizaam samen. Maar het tijdperk van onthechte avant-garde is ontegenzeggelijk voorbij, en waar het wél lukte om kwaliteit en politieke relevantie te combineren, kreeg het festival meteen vleugels.

Zoals bij Ça Ira (1) Fin de Louis: theatraal gezien de grootste sensatie van het festival. Wie had vooraf kunnen vermoeden dat bijna vijf uur puur retorisch teksttoneel over de Franse Revolutie zó opwindend en eigentijds kon zijn? Tijdens deze voorstelling van de gevierde Franse regisseur Joël Pommerat gebeurde precies wat zo begeerd en zeldzaam is in de kunst: na een paar moeizame uren van verzet (Moeilijk! Saai! Hysterisch!) pakte dit werk je alsnog in en liet het je gelouterd weer los; een even ontregelende als weldadige ervaring. De inspanning was weliswaar groot, de beloning voelde des te beter.

Andere festivalhoogtepunten scoorden minder op politiek engagement, maar toonden zich toch maatschappelijk relevant, zoals The Encounter van Simon McBurney, dat zich ontpopte tot een roerend pleidooi voor menselijk contact. Simon Stone verpakte in het ogenschijnlijk wat losgezongen Husbands & Wives een universeel thema (relatiecrises) in zo’n frisse, vitale vorm dat het de zeggingskracht van toneel als kunstvorm bewees.

Muzikaal gesproken was deze tweede festivaleditie van intendant Ruth Mackenzie (de eerste stond al in de steigers voor ze aankwam) minder omvangrijk dan tijdens het intendantschap van haar voorganger, Pierre Audi. De keuze voor een focus op de Oostenrijkse componiste Olga Neuwirth was innemend – eindelijk een levende, vrouwelijke componiste in de spotlights! – maar initiële opgetogenheid werd gedimd door de slagschaduw van voorgaande, sterkere festivalportretten romdom Pierre Boulez en Luigi Nono. Neuwirths Le Encantadas o le avventure nel mare delle meraviglie bracht prachtmomenten en imponeerde door technisch vernuft, maar een onvergetelijke belevenis was het net niet.

In een ideaal scenario biedt het Holland Festival het soort voorstellingen dat je de rest van het jaar niet ziet. Podiumkunst die de blik verbreedt, tot nadenken stemt en de rest van het reguliere seizoen voorziet van context. Niet overal werd dat waargemaakt. Het dansaanbod was wisselend en getuigde van weinig originaliteit. Natuurlijk, het was fantastisch om Nelken van Pina Bausch (nog eens) te zien, en Until the Lions van Akram Khan, een festivallieveling, stond in een decor van Tim Yip (Crouching Tiger, Hidden Dragon) prachtig in de Gashouder. Maar Sketches/Notebook van Meg Stuart leek uit de oude doos opgevist.

Ook de muzikale hoogtepunten dit jaar – Bergs Wozzeck in de ZaterdagMatinee, Pique Dame met het Concertgebouworkest bij De Nationale Opera en de wereldpremière van Louis Andriessens Theatre of the World – waren alle producties waaraan het festival bijdroeg, maar die anders waarschijnlijk ook wel waren ontstaan. En de ‘pure’ festivalproducties waren veel minder doorslaand succesvol. Melancholia lief en vervreemdend. Die Schöpfung met filmbeelden: mislukt. De opdrachtwerkjes door het Kronos Quartet: te vaak te vrijblijvend. De double bill van Harrison Birtwistle: gemengd succesvol.

Je miste de echte verrassingen om over na te praten. Anderzijds: experimenten horen bij het Holland Festival, en experimenten mogen mislukken. Dat is niet erg, dat is wezenlijk onderdeel van de Europese droom.

    • een onzer redacteuren