Opinie

    • Marjoleine de Vos

Bij café Scheltema met altijd wodka

Vannacht een poosje wakker gelegen en aan Henk Hofland gedacht. Vooral aan de jaren negentig, de redactie op de Amsterdamse Paleisstraat op de hoek van de Dam, waar hij achterin rechts een eigen kamer had, de enige kamer waar je niet vanaf de gang naar binnen kon kijken. Daarbinnen kweekte hij half-dooie planten in een afgesloten stolp die toch weer groen werden; hij had er rijen tinnen figuurtjes staan, Lenin en Breznjev enzo, er stond een bank waar hij ’s middags even op ging liggen als hij op zijn kamerdeur het briefje: ‘Pas op, slapend mens’ bevestigd had. Hij zat er achter een grote beige-bruine computer, een zogenaamde Coyote, die eruit zag alsof hij voor de Flintstones ontworpen was. We hadden er allemaal zo een. Veel kon je er niet mee. Je kon er stukjes op schrijven die je dan in een ‘bak’ deed nadat je een ‘header’ had gemaakt, en dan konden andere mensen op de krant ze ook lezen. Het waren trouwens meestal geen stukjes maar stukken – zo’n 2500 woorden was heel normaal voor een stuk dat nu nog maar 800 woorden zou mogen tellen. Ook Henk schreef wel van die grote stukken waarin hij de wereld analyseerde en waarschuwde.

Maar meestal schreef hij korter, zijn deftige column van woensdag over internationale politiek, de opgeruimde stukjes van S. Montag die geregeld ‘een gat in de lucht’ sprong, die veel narigheid tegenkwam in de stad maar geen seconde van plan leek om daar een slecht humeur van te krijgen. Iemand die zei: „Als ik schilder was, zou ik veel roestkleurige troep schilderen” en daarbij dan keek alsof er niets fijners in de wereld bestond dan roestkleurige troep.

Je kon altijd binnenlopen in die kamer als de deur openstond. Hij beweerde dan bijvoorbeeld dat György Konrad geweldig overschat werd, dat ik snel eens naar New York moest gaan en in het Chelsea Hotel moest gaan logeren en dat-ie ze zou waarschuwen van tevoren als ik het deed en dat het mij dan aan niets zou ontbreken. Want hij woonde daar min of meer.

Op diezelfde Paleisstraat hield de kunstredactie in de kamer van de chef sollicitatiegesprekken. De ene na de andere kandidaat die ons van zijn of haar geschiktheid voor een redacteursfunctie moest overtuigen. En terwijl een van hen daarmee bezig was, zag ik voor de ruit naast de deur Henk Hofland verschijnen. Met een grote bloempot op zijn hoofd. Die zich daarna verkneukelde toen hij zag dat de sollicitatiecommissie niet wist hoe haar lachen te bedwingen. Arme kandidaat, die daar midden in een overtuigende uiteenzetting van zijn verdiensten toegeproest werd.

We zaten bij café Scheltema met altijd wodka, ik meestal zonder ijs, hij meestal met. Hij had altijd sigaretten bij zich en soms rookte ik er gezelligheidshalve ook maar een terwijl hij zijn visie op de wereld, de krant, New York en Franse films ontvouwde. We praten over De Alibicentrale, zijn eerste roman, waarin een bureau ervoor kan zorgen dat mensen een alibi krijgen. Voor bijkans alles. Iets dat geheel bij Henk paste – zelden iemand meegemaakt die zozeer zijn privacy bewaakte. Bij Scheltema draaiden ze soms gezellige muziek, ‘Dancing cheek to cheek’, ‘Moonlight in Vermont’. Dan neurieden we mee. Als we naar buiten kwamen was het meestal al donker. Dan wachtte hij tot ik mijn fiets had losgemaakt en zei als ik opstapte: „Wees voorzichtig.”

    • Marjoleine de Vos