Recensie

Bezet door de nazi’s en de Japanners

Deze vertaalde sciencefiction-roman behoort tot het beste uit Dicks oeuvre.

Duitsland en Japan hebben de Tweede Wereldoorlog gewonnen. Het westen van de Verenigde Staten wordt beheerst door de Japanners, het oosten door de nazi’s, daartussen ligt een neutrale zone. Ergens in die zone moet op een hooggelegen kasteel de schrijver Hawthorne Abendsen wonen. Zijn cultroman De sprinkhaan sleept zich voort is verboden, omdat er een wereld in wordt beschreven waarin de Verenigde Staten de oorlog hebben gewonnen.

Je kunt het wel aan de Amerikaanse schrijver Philip K. Dick (1928-1982) overlaten om zoiets te verzinnen en het dan nóg ingewikkelder te maken. Toch is het in 1962 verschenen The Man in the High Castle een atypische roman voor Dick, die bekendstaat als auteur van sciencefiction-romans die zich doorgaans afspelen in een nabije toekomst. De man in het hoge kasteel speelt in de tijd waarin het werd geschreven, begin jaren zestig – alleen niet helemaal in onze wereld.

In het door de Japanners beheerste San Francisco kruisen de wegen van een aantal personages zich. Robert Childan probeert oude Amerikaanse kunstvoorwerpen te verkopen. Een van zijn klanten, Nobusuke Tagomi, wordt benaderd door een mysterieuze Zweed met een geheime missie. Ondertussen probeert Frank Frink als sieradenmaker aan de bak te komen, terwijl zijn ex-vrouw Juliana in de neutrale zone judolessen geeft.

Door een netwerk van verwikkelingen krijgen ze allemaal met elkaar te maken. Alles in de roman draait om vervalsing, vermomming, maskerade – en de grootste maskerade is misschien wel dat boek van Abendsen, De sprinkhaan sleept zich voort, dat overal opduikt. Er gaat een vreemde fascinatie uit van de alternatieve wereld die Abendsen beschrijft. Uiteindelijk is het judolerares Juliana die de schrijver bezoekt, in zijn veronderstelde hoge kasteel, om hem te vragen waarom hij het boek geschreven heeft.

Zoekende personages

Zoals vaker bij Dick lopen de personages zoekend rond, als amateurs van wie opeens een professionele aanpak wordt verwacht, of acteurs die een paar seconden voor het doek opging hun rol in handen gedrukt hebben gekregen. Dat heeft te maken met de razende snelheid waarmee Dick schreef, maar is toch vooral een consequentie van de wereld waarin hij zijn personages laat bewegen: niets is zeker, alles kan omslaan, ook als het gaat om het tijdsverloop en de identiteit van het universum waarin je je denkt te bevinden.

Zo is het in De man in het hoge kasteel nog maar de vraag hoe fictief Abendsens alternatieve wereld is. Die wereld, waarin de geallieerden de oorlog hebben gewonnen, is overigens niet de onze; maar ook díe wereld (de onze dus) maakt nog even haar opwachting. En dan speelt het taoïstische orakelboek I Tjing ook nog een dubbelrol in het geheel: niet alleen raadplegen Dicks personages het boek als ze belangrijke beslissingen moeten nemen, ook Dick zelf gebruikte het orakel.

Romans van Dick moet je snel lezen; je moet niet pootje baden, je moet meegesleurd worden door de onderstroom. En om Dicks universum op waarde te kunnen schatten, moet je eigenlijk kort achter elkaar meer romans van hem lezen. Zonder dat ze met elkaar samenhangen versterken de romans van Dick elkaar.

Paranoia en frustratie

In steeds weer andere decors duiken dezelfde thema’s op, vergelijkbare vormen van paranoia en frustratie. Veel terugkerende motieven zijn terug te voeren op het leven van Dick zelf en zijn thema’s zeggen ook iets over de tijd waarin het werk geschreven is (de paranoia van de late jaren zestig!), ook al spelen de romans zich doorgaans veel later af.

‘In mijn werk zijn de vloerbalken van het universum zichtbaar’, schreef Dick in 1976 aan zijn bejaarde moeder. Maar het zijn geen vloerbalken die ook maar enige stevigheid verlenen. Tijd en ruimte zijn vloeibaar, voor zowel personages als lezers is niets zeker. Alle goede literatuur is geestverruimend, en de romans van Dick verruimen de geest op ongekende manieren. Ze zijn niet altijd even zorgvuldig. Maar ook dat rammelen hoort bij zijn universum, waarin apparaten er sowieso vaak mee ophouden, of niet doen wat van ze wordt verwacht.

De man in het hoge kasteel heeft die vreemde kwaliteit die Dicks beste werk kenmerkt: een mix van gelatenheid, naïviteit en verbetenheid die het geestverruimende voorziet van een melancholische sluier. Dick hoopte dat deze roman hem toegang zou geven tot de hoogvlakten van de officiële literatuur, maar dat is niet gebeurd; tot zijn frustratie bleef men hem beschouwen als sciencefiction-auteur. Pas na zijn dood kwam daar verandering in. Een mijlpaal in dit proces van canonisering was de opname in 2009 van dertien van zijn romans in de prestigieuze serie Library of America. Een van die romans was De man in het hoge kasteel.

Er is vanaf eind jaren zestig tot begin jaren tachtig een aanzienlijk aantal romans van Dick in het Nederlands vertaald. In 1968 verscheen een sterk ingekorte vertaling van The Man in the High Castle, die in 1979 werd herzien en uitgebreid. Maar ook die versie was niet compleet en alleen al daarom is het goed dat er nu een volledige vertaling van de roman is verschenen. Het is alleen jammer dat de vertaler er niet helemaal in slaagt de stijl van Dick over te brengen. De vertaling van Irving Pardoen leest soepel, maar dat is precies het probleem. Dick is geen verfijnd stilist, maar hij heeft wel degelijk een eigen stijl. Pardoen heeft het hectische, gehaaste proza van Dick getemd, vertraagd, genormaliseerd – alsof hij Dicks stijl als een gebrek beschouwt en niet als iets dat onvervreemdbaar bij hem hoort.

    • Rob van Essen