Strenge, maar soepele meesters

De Assyriërs hebben een reputatie als brute bezetters. Toch zou hun rijk niet zo lang hebben standgehouden als ze alleen de stok hadden gebruikt. Archeoloog Bleda Düring ontdekte de zachte kant van de Assyrische machtspolitiek.

Reliëfs met bloederige onthoofdingen en op staken gespietste mannen sierden de Assyrische paleizen in Nimrud, Khorsabad en Nineveh. De boodschap was duidelijk: als militaire macht viel met de Assyriërs niet te sollen. „Dat beeld is nog eens versterkt door verhalen in de bijbel over de deportatie van de Joden,” vertelt Bleda Düring, universitair hoofddocent archeologie van het Nabije Oosten aan de Universiteit Leiden. „Hierdoor is in de wetenschap het beeld ontstaan dat de Assyriërs vooral door bruut optreden tussen 1350 en 609 voor Christus over een uitgebreid rijk hebben kunnen heersen.”

De afgelopen vier jaar heeft Düring met een subsidie van 1,2 miljoen euro van de European Research Council onderzoek gedaan naar de imperialistische strategieën van de Assyriërs. Het belangrijkste resultaat is een nuancering van het bestaande beeld. „Ze hanteerden niet alleen de stok, maar ook de wortel.”

De Assyriërs waren de eersten in de geschiedenis die een langdurig imperium in stand wisten te houden. Voorgangers in de regio als het Akkadische rijk (2350-2215 v. Chr.) en wat de wetenschappers Ur III (2110-2002 v. Chr.) noemen, duurden niet veel langer dan een eeuw en de rijken van de Babylonische koningen Hammurabi (1795-1750 v. Chr.) en Samsi-Adad (1808-1776 v. Chr.) hielden het alleen de regeerperiodes van hun charismatische leiders vol.

„Elk groot rijk steunt op bepaalde hardware,” zegt Düring. „Te denken valt aan wegen om troepen snel naar een opstandig gebied te kunnen sturen, de bouw van forten om een gebied te controleren en de inrichting van een landschap door kolonisaties, deportaties en de stichting van landbouwgebieden en industrieën zoals mijnbouw.” De Assyriërs hebben het allemaal gedaan. Maar Düring voegt er iets aan toe: „Zonder gebruik van soft power zouden ze nooit zo succesvol zijn geweest.”

Buitengebieden

Om tot die conclusie te komen ging hij niet op onderzoek in de hoofdstad Assur, waarvan de resten nu 390 kilometer ten noorden van Bagdad in Irak liggen, maar richtte hij zich op de buitengebieden. Onder andere op Tell Sabi Abyad in Syrië, waar Leidse onderzoekers onder leiding van Peter Akkermans al sinds 1986 onderzoek hadden gedaan.

Op basis van 400 spijkerschriftteksten op kleitabletten en meer dan tienduizend andere opgegraven voorwerpen uit Tell Sabi Abyad ziet Düring rond 1230 voor Christus de Assyriërs de Balikhvallei in gebruik nemen. „Kort ervoor lijkt het gebied nog leeg, alsof de Assyriërs de lokale bevolking uitgemoord of verdreven hebben. Maar eind dertiende eeuw willen ze blijkbaar toch iets met het gebied.” Er wordt een dunnu gebouwd, een versterkt landgoed waar landbouw wordt bedreven. Op basis van teruggevonden namenlijsten is bekend dat er ongeveer vierhonderd niet-Assyriërs op het landgoed werkten. „Hun aanwezigheid zien we ook terug in crematiegraven. Voor de Assyriërs was crematie not done; zij begroeven hun doden.”

Maar volgens Düring moet er niet gedacht worden aan slavenarbeiders die geketend naar de Balikhvallei waren afgevoerd. „In de omgeving waren geen garnizoenen, dus als ze allemaal gezegd zouden hebben ‘we doen het niet meer’, zou niemand hen hebben kunnen tegenhouden. Het feit dat die ruimte er was, wijst op het bestaan van een soort sociaal contract. Er was iets dat hen bond.”

Het antwoord vond hij onder meer in een rijk crematiegraf dat hij interpreteert als toebehorend aan Tammite, de opzichter van de dunnu, in wat vroeger zijn kantoor moet zijn geweest. Deze Tammite had een Anatolische naam. „Hij was dus geen Assyriër, maar hij beschikte wel over een Assyrisch zegel, waarmee zijn urn was verzegeld. Mogelijk lag er ook een leeuwenvel over de urn, want er is bij de urn een falanx van een leeuw gevonden, een botje uit zijn klauw. Verder bevatte Tammites graf sieraden, gouden oorringen, kralen en scarabeeën die we ook uit Assyrische graven in de hoofdstad Assur kennen. Ofschoon Assyriërs zich superieur aan andere volkeren achtten was het dus wel mogelijk om met een andere achtergrond met hen mee te doen; tegelijkertijd maakt Tammite met zijn graf en functie duidelijk dat het voor niet-Assyriërs voordelen opleverde om mee te doen.”

Teksten uit het hele rijk waarin hoge functionarissen met niet-Assyrische namen voorkomen bevestigen dat idee. Düring heeft in Tell Sabi Abyad en bij andere opgravingen verspreid over het Assyrische rijk geen aanwijzingen gevonden dat er achter het beleid van de Assyriërs een vooropgezet plan zat. Düring: „Ze waren heel pragmatisch. Anders dan hun officiële propaganda doet geloven gebruikten ze bruut geweld alleen als het nodig was. Ze keken per geval hoe ze met een gebied omgingen. Gedroeg het veroverde gebied zich lastig of konden ze er economisch voordeel halen?”

Vazalstaat

Opgravingen in wat nu Noord-Syrië is maken bijvoorbeeld duidelijk dat de Assyriërs hun bestuur in het gebied van de Mittani aanpasten aan bestaande nederzettingen en landbouwpraktijken. Van het Land van Mari maakten ze daarentegen een vazalstaat, blijkt uit de opgravingen van Tell Taban in Noordoost-Syrië. Andere gebieden, zoals de Balikhvallei, koloniseerden ze.

Uit bewaard gebleven teksten is af te leiden dat de kolonisatie van de Balikhvallei een gevolg was van een machtstrijd aan het hof in Assur. Koning Tukulti-Ninurta I wilde af van Assur-Iddin, telg uit een zijtak van de koninklijke familie, maakte hem grootvizier en gaf hem het gebied in het westen, zonder dat hij belasting hoefde te betalen. „Hij moest wel zelf investeren,” weet Düring. De ontwikkeling van het gebied kwam alleen hem en zijn opvolgers ten goede. „De afstand tot Assur was te groot om landbouwgoederen voor de hoofdstad te verbouwen. Lastdieren zouden de hele opbrengst als voer voor onderweg nodig hebben gehad.”

Na ruim vijftig jaar kwam een einde aan de dunnu van Tell Sabi Abyad, nadat een kleinzoon van Assur-Iddin de macht in Assur had gegrepen. De Balikhvallei verloor daarmee zijn rol als belangrijk wingewest van het huis van Assur-Iddin.

Düring heeft zijn onderzoek uitgevoerd zonder zelf in Tell Sabi Abyad op te graven. „Afgezien van één keer als student eind jaren negentig.” Hij had het wel gewild, maar toen hij zijn subsidieaanvraag deed, brak in Syrië de crisis uit. „Het depot in Raqqa is met alle vondsten door IS verwoest.” Gelukkig voor hem waren alle vondsten, afgezien van het zoölogische materiaal, al gedocumenteerd. „De hele documentatie bestond echter alleen op papier in een depot in Leiden; bij een brand zou dertig jaar werk verloren zijn gegaan. Daarom hebben we eerst alles gedigitaliseerd. Alles is nu voor elke wetenschapper op de wereld beschikbaar.”

    • Theo Toebosch