In Italië komt het gevaar van de bank

Financiële crisis Italiaanse banken zuchten onder een berg niet afbetaalde leningen. Deels eigen schuld: bij het toekennen van leningen lieten ze (politieke) vriendschappen een rol spelen.

In de eerste jaren van de financiële crisis en de schuldencrisis was in Italië in alle toonaarden te horen dat de hoge staatsschuld weliswaar een probleem was, maar dat de Italiaanse banken veilig waren. Die hadden nauwelijks geavanceerde maar ondoorgrondelijke financiële producten die in je gezicht konden ontploffen.

Dat beeld is radicaal veranderd.

Volgens sommige financiële analisten vormen de problemen in de Italiaanse bankensector nu zelfs een groter gevaar voor de eurozone dan de staatsschuld. Want de rente op de schuld is steeds netjes betaald. Maar veel banken zijn door de aanhoudende recessie in enorme problemen gekomen. Het besluit van het Verenigd Koninkrijk vrijdag om de Europese Unie te verlaten en de impact daarvan op de financiële markten, en mogelijk op de Europese economie, vergroot de onzekerheid.

Vorig jaar zijn vier kleinere lokale banken omgevallen. Twee grotere regionale banken wankelen. En een van de twee grote banken, Unicredit, is sinds januari meer dan de helft van haar beurswaarde kwijtgeraakt: op 1 januari noteerde het aandeel 5,14 euro, vrijdag 2,08 euro.

Het kernprobleem, bijna overal: leningen die niet worden terugbetaald. De Italiaanse banken worstelen met deze slechte leningen ter waarde van naar schatting 350 miljard euro. Dat is ongeveer drie keer zoveel als het Europese gemiddelde.

Een deel van de verklaring is de recessie. Het bruto nationaal product van Italië is nog steeds niet op het niveau van 2008. Veel bedrijven zijn daardoor in de problemen gekomen en kunnen hun schulden niet afbetalen. De groeivooruitzichten zijn op zijn zachtst gezegd matig: de lage arbeidsproductiviteit blijft een enorme rem.

Het bedrag aan slechte leningen is ook zo hoog doordat bij het verstrekken van kredieten soms niet financiële criteria een rol speelden, maar persoonlijke en politieke vriendschappen. De politie heeft begin deze week invallen gedaan bij de Banca Popolare di Vicenza, een regionale bank die ervan wordt verdacht een twintigtal relaties zeer gunstige leningen te hebben verstrekt – terwijl particuliere spaarders aandelen van de bank in de maag kregen gesplitst die niets waard bleken te zijn.

Italië hoopt dat het van de EU toch een soort ‘bad bank’ voor slechte leningen mag vormen

De Italiaanse bankensector zucht al onder fragmentatie – er zijn ongeveer 500 banken. Met name voor regionale banken vormen de slechte leningen een enorme bedreiging. Bijkomend probleem: sinds 1 januari zijn nieuwe Europese regels voor staatssteun aan banken van kracht.

Waar Spanje en Ierland nog miljarden uit de schatkist konden gebruiken om hun banken te ondersteunen, zijn de voorwaarden nu veel strenger. Banken mogen alleen met overheidsgeld worden gesteund als eerst ten minste 8 procent van de bankschulden wordt gedekt door aandeelhouders, obligatiehouders en houders van deposito’s boven 100.000 euro.

In zijn jaarlijkse toespraak eind vorige maand verweet gouverneur Ignazio Visco van de Italiaanse Centrale Bank Europa een „rigide” opstelling. Hij wil dat er weer meer ruimte komt voor de overheid om in te springen.

Al in 2009 waarschuwde Visco’s voorganger Mario Draghi dat veel Italiaanse banken hun kapitaal moesten vermeerderen. Veel banken hebben dat gedaan door aandelen en achtergestelde obligaties te verkopen aan hun eigen cliënten. Twee jaar later kon Draghi dan ook zeggen dat de Italiaanse banken relatief lage kosten hadden om kapitaal binnen te halen. Maar met de nieuwe regels, die in iets minder scherpe vorm al gelden vanaf de zomer van vorig jaar, blijken de honderdduizenden vaak slecht voorgelichte mensen die aandelen en obligaties hebben gekocht, de dupe toen de aandelen kelderden – of in sommige gevallen vrijwel waardeloos werden.

Dit voorjaar is een noodfonds opgericht voor banken in de problemen, gefinancierd door de sector zelf. Dit heeft de symbolische naam Atlante (‘Atlas’) gekregen, naar de Griekse god die de hele wereld op zijn schouder droeg. Bij de presentatie eind april werd nog gezegd dat het fonds slechts een coördinerende en ondersteunende rol zou spelen.

Al een paar dagen later bleken de problemen bij de Banco Popolare di Vicenza, de tiende bank van Italië, zó groot dat Atlante zich garant moest stellen voor de benodigde kapitaalinjectie van 1,5 miljard euro – wat meteen steun aan Unicredit was, want die had zich vorig najaar garant gesteld voor de kapitaalinjectie, zonder ontsnappingsclausule. Het fonds heeft nu 99 procent van de aandelen. Een vergelijkbaar scenario speelde een maand later bij Veneto Banca, die 1 miljard nodig had.

Italië hoopt nu toestemming van de Europese Unie te krijgen om, zoals Spanje een paar jaar geleden heeft gedaan, toch een soort ‘bad bank’ te vormen, waarin het merendeel van de slechte leningen kan worden ondergebracht.

Een beetje soepelheid is nodig, zei centralebankgouverneur Visco. Anders „bestaat het gevaar dat de nationale en Europese autoriteiten niet in staat zullen zijn adequaat op grote schokken te reageren, en zelfs dat zij moeite zullen hebben besmetting te voorkomen.”

    • Marc Leijendekker