Een maskerade van obsessies

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

‘Ergens ver in het noorden, staat tegen de deltadijk een boerderij als een wachtend werkpaard met zijn kont naar de zee. Het is een groot, bruin achterwerk van riet, zonder deur en zonder raam.’

Zo begint Onder de mensen (1) van Mathijs Deen en zoals elke goede roman laat het verhaal zich niet samenvatten. Twee dolende zielen vinden elkaar via een contactadvertentie: Wil die eigenlijk Irene heet en Jan, een vereenzaamde noordelijke boer. Jan heeft nauwelijks taal tot zijn beschikking en Wil, afkomstig uit Diemen, praat alleen in ondoorgrondelijk therapeutenjargon. Zonder veel woorden helpen ze elkaar niettemin hun obsessies en angsten te overwinnen.

Mathijs Deen schreef eerder het boek De Wadden, een schoolvoorbeeld van literaire non-fictie, waarin hij excelleerde in natuurbeschrijvingen. In Onder de mensen ontwikkelt de relatie tussen twee op de rand van gekte verkerende eigenheimers zich even grillig als het weer: meestal dodelijk eentonig, maar een noodlottige stormwind kan elk moment opsteken. Liefde – of wat er voor doorgaat – als onberekenbaar natuurverschijnsel: iedereen heeft er mee te maken, niet alleen eenzame boeren of verknipte dames uit de Randstad. Je moet de pen van een Mathijs Deen hebben om dit verschijnsel zo tergend realistisch te verbeelden.

In zijn essay De radicale verliezer trekt de Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger (2) een parallel tussen psychopathische amokmakers (denk aan Alphen aan den Rijn of het fenomeen ‘gezinsdrama’) en het islamistisch geïnspireerde terrorisme van IS of Al Qaeda. Als de radicale verliezer, die een narcistische krenking moet compenseren, zich bij een collectief voegt, ontstaat een amalgaam van doodswens en grootheidswaan. De terrorist wordt door een catastrofaal gevoel van almacht verlost van zijn machteloosheid. Enzensberger noemt het islamisme een middel om de radicale verliezers te mobiliseren door religieuze, politieke en sociale drijfveren met elkaar te doen versmelten. In tegenspraak hiermee beschouwt hij deze motieven als niet meer dan een maskerade van dieper zittende obsessies, met name de door superioriteitsgeloof ingegeven Arabische obsessie met de historische neergang van de eigen beschaving, die totaal onproductief en parasitair is. De terroristen zijn volgens Enzensberger schepsels van de geglobaliseerde wereld die ze bestrijden. Verklaringen die betrekking hebben op de sociale situatie van de daders schieten tekort: zij horen doorgaans niet bij de ‘ontrechten’. Hun vroomheid heeft niet veel om het lijf en zij zijn apolitiek omdat zij geen onderhandelbare eisen stellen. Wat overblijft is destructieve energie, die de Arabische wereld zelf zal vernietigen.

James Worthy schreef twee romans en talloze korte columns ‘over het leven, de dood en alles daartussenin’. Mottenballen voor de ziel (3): dat zijn alcohol, harddrugs en Scientology, blijkt uit het eerste en meteen het beste van de gebundelde stukjes. De tientallen die volgen hadden achterwege kunnen blijven als stijloefeningen voor de schoolkrant. Het gespeelde cynisme en de zelfvergrotende zelfspot van Worthy gaan alras ergeren. Dat geldt vooral zijn gekunstelde metaforen (‘Prostitueebezoek verbieden is hetzelfde als De Nachtwacht over laten schilderen door een mongooltje met een passer’), gezochte woordspelingen (Een zwerver volgt hem ‘als een pauperazzi’), warrige aforismen (‘Monogamie is origami voor enkelingen’). Ooit heette het dat men een stukje of een brief beter niet met het woordje ‘ik’ kan laten beginnen, onzin natuurlijk, maar je kunt ook overdrijven: ‘Ik kijk naar een documentaire’. ‘Ik haat tandartsassistentes’, ‘Ik zit naast het zwembad’, ‘Ik zeg al mijn hele leven tegen iedereen dat ik hoogtevrees heb’, en veel meer interessante observaties, de veelbelovende schrijver James Worthy (1980) betreffend.

‘Ik hoop dat de lezer me het autobiografische gehalte van het boek vergeeft’, schrijft debutante Annelies D’Hulster (1984) in het voorwoord van Nooit meer thuis (4). Nou, nee dus. Om meer begrip te wekken voor de vele duizenden migranten die geen oorlogsvluchtelingen zijn, reisde de 32-jarige Vlaamse vrijwilligster in haar eentje op een risicovolle tocht met Afrikaanse migranten door Gambia, Senegal en Mauretanië en door Mali en Burkina Faso tot aan de woestijn van Agadez in Niger. ‘Alleen door het weergeven van mijn wedervaren, verlangens, hoop en gedachtenkronkels was ik in staat om hun diepste gedachtes en verlangens aan het papier toe te vertrouwen.’ Dat belooft wat: ‘Snot en stof hebben zich zo hard in mijn neus genesteld dat ik er met mijn vieze vingers in pulk. Het geeft me onmiddellijk een aangename schaamteloze sensatie, een miniorgasme.’ Bijna vierhonderd bladzijden narcistische flauwekul over de ruggen van wanhopige vluchtelingen. Onleesbaar.