Drie redenen om ruillevers te maken

Vorig jaar kregen in Nederland 151 mensen een nieuwe lever – een donorlever. De leverwachtlijst groeide in dezelfde tijd met 215 mensen. Er lijkt dus een tekort van ruim 60 levers per jaar te zijn. Dat verschil lijkt overbrugbaar voor wie bedenkt dat die 151 donorlevers kwamen uit 265 donoren, terwijl de Nederlandse ziekenhuizen in werkelijkheid 957 potentiële orgaandonoren zagen. Er waren bijna 700 afvallers – 140 ervan stonden met ‘nee, geen donor’ in het donorregister. Ruim 400 potentiële donoren vielen af omdat de nabestaanden geen toestemming gaven voor orgaanuitname. Als iedereen zijn keuze vast legt kan Nederland jaarlijks misschien wel 300 of 400 levers opbrengen.

Meer dan genoeg, zou je zeggen. Waarom geven transplantatie-onderzoekers dan, zoals Sander Voormolen in deze bijlage beschrijft, zo veel geld uit aan het maken van ruillevers uit varkens of andere zoogdieren? Het zijn perfecte, gezonde kopieën van de patiëntenlevers die van jongs af aan in de dieren groeien.

Er zijn drie belangrijke redenen. Ook 300 of 400 levers is niet genoeg. De wachtlijst wordt kunstmatig kort gehouden. In 2014 stierven in Nederland 619 mensen aan leverkanker en 793 aan chronische leveraandoeningen. Er waren 30 doden door virale hepatitis. En van de ruim 3.500 doden aan darmkanker zijn er vrij veel die aan uitzaaiingen in hun lever sterven.

Natuurlijk, niet iedereen heeft zin in zo’n grote transplantatie-operatie tegen zijn schijnbare levenseinde, maar zo te zien kan de Nederlandse bevolking jaarlijks best 2.000 nieuwe levers gebruiken.

Een getrouwe kopie van de eigen lever veroorzaakt bovendien niet de afstotingsreacties die de levens van veel transplantatiepatiënten nu verzuren. Van de 151 in 2015 getransplanteerde levers werken er over vijf jaar nog maar ongeveer 100, vooral door afstotingsproblemen.

En tenslotte, hoe je het ook wendt of keert, een orgaanuitname bij een pas overledene is een afschuwelijke ingreep die afscheid nemen en rouw medicaliseert.

    • Wim Köhler