De Zeeuwse slavenhandel in laadlijsten, scheepsjournaals en memoires

Middelburg koestert zichtbaar zijn roemrijke verleden, dat voortleeft in de vele prachtig onderhouden herenhuizen uit de hoogtijdagen van de handel overzee. De stad belicht ook zijn medeplichtigheid aan de slavenhandel met een monument, waarbij te lezen valt: „Naar schatting namen de Zeeuwen bijna de helft, zijnde 268.503 personen, van alle door Nederlanders vervoerde slaven [...] voor hun rekening.”

Hoe de Zeeuwen in Middelburg dit in de 18de eeuw deden, is zorgvuldig gereconstrueerd in het Zeeuws Archief. Daar loopt al bijna drie jaar de tentoonstelling Aan boord van een slavenschip. Deze naam doet een belofte die niet wordt ingelost: in de archiefkelder is niet het inwendige van een schip nagebouwd en evenmin biedt de tentoonstelling de in musea nu zo gebruikelijke ‘ervaring’ van het leven aan boord. In plaats daarvan vertellen de archivarissen het verhaal met een overvloed aan documenten als inventarislijsten en scheepsjournaals.

Die bronnen leveren wel precies wat je wilt bij de beschrijving van zo’n pijnlijk verleden: stevig gedocumenteerde feiten en droge maar veelzeggende details. Zo staat in een scheepsjournaal een keurig overzicht van hoeveel slaven bij welke gelegenheid omkwamen bij een zeereis (26, 15, 3 slaven), zodat van de 393 slaven er 349 overleefden. Dat verliescijfer van 11,2 procent lag iets onder het gemiddelde van 12 procent. Dat verschil lijkt klein maar kwam neer op 3 slaven, die elk vele honderden guldens opbrachten.

Dergelijke feiten vormen een stevig raamwerk voor het verhaal over de slavenhandel. Dat verhaal begon rond 1720 toen kooplieden in Middelburg de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) speciaal voor de slavenhandel oprichtten. De Zeeuwen waren namelijk door Amsterdam verdreven uit de handel in de Oostzee en zochten andere inkomstenbronnen. Ze hadden al ervaring met duistere zaakjes, dankzij de kaapvaart. Ze grepen hun kans toen het monopolie van de West-Indische Compagnie op de Nederlandse slavenhandel werd opgeheven.

Het slaventransport was een onderdeel van de zogeheten driehoekshandel. De zeelui brachten goederen als wapens en katoen naar West-Afrika en ruilden deze ‘cargasoen’ tegen slaven. De slaven – ‘armasoen’ – werden naar het Caraïbisch gebied vervoerd, samen met goederen als cacao. Op de slavenmarkt van Curaçao verkochten de handelaren de slaven en vervolgens kochten ze goederen als suiker. In Middelburg werden de Afrikaanse en Caraïbische goederen verkocht.

Zo transporteerden de Middelburgers op 118 reizen ruim 31.000 slaven. Hierop draaide tot iets na 1800 de economie van Middelburg, inclusief de smederijen die de slavenkettingen maakten. Voor de Zeeuwen waren de slaven niets meer dan handelswaar.

De kritische reflectie daarop komt uit mooie memoires van tijdgenoten, zoals die van de Britse koopman Olaudah Equiano (1745-1797). Als kind werd hij uit Nigeria ontvoerd en verkocht aan handelaren: „Hun geld bestond uit kleine witte schelpen zo groot als de nagel van een vinger. Hier werd ik voor 172 van de schelpen verkocht.”

Dit soort even feitelijke als pijnlijke observaties zijn ook terug te vinden in de reisbeschrijving van de Duitser Joachim Nettelbeck (1738-1824), die als opperstuurman meermalen meevoer op reizen van de MCC. „De scheepsdokter gaf de aangekochte slaven dadelijk een braakmiddel om hen te bewaren voor de nadelige gevolgen van doorgestane angsten.”

Door hun precisie werken deze feitelijke getuigenissen als een tijdmachine. En zo kom je in de tongewelven van het archief inderdaad aan boord van een slavenschip.

    • Karel Berkhout