Recensie

De mooiste metro ter wereld

Moskouse metrostations moesten paleizen van het communisme worden. Toch verschillen ze behoorlijk in stijl.

Een van de vele thematische stations van de Moskouse metro is gewijd aan de dwangarbeid van politieke gevangenen. In het Sjosse Entoeziastov-station uit 1979 ‘creëren decoratieve elementen een intieme sfeer’, schrijft de Russische architectuurhistoricus Alexander Zmeoel in verreweg het langste artikel in Hidden Urbanism. Architecture and Design of the Moscow Metro 1935-2015. De wanden van het station zijn versierd met marmeren reliëfs met een loodzware symboliek, zoals geketende armen die reiken naar de ‘vlam van de vrijheid’.

Welke politieke gevangenen in Sjosse Entoeziastov precies worden herdacht, vertelt Zmeoel er niet bij. Maar het zijn beslist niet de dwangarbeiders die begin jaren dertig te werk waren gesteld bij de aanleg van de eerste lijn van de Moskouse ondergrondse en hierbij vaak om het leven kwamen. Weliswaar werd het station een kwart eeuw na de dood van Stalin in 1953 gebouwd, maar monumenten voor de miljoenen politieke gevangenen onder Stalin waren toen nog taboe in de Sovjet-Unie. In Sjosse Entoeziastov gaat het om de gevangenen in het tsaristische Rusland die reikten naar de vrijheid die volgens de leninistisch-marxistische geschiedschrijving uiteindelijk door het communistische regime werd gebracht.

Ook in de rest van Hidden Urbanism blijven de barre omstandigheden waaronder het eerste deel van de omvangrijke Moskouse metro werd aangelegd, vrijwel ongenoemd. Alleen in de inleiding stipt Philip Meuser, de Duitse uitgever van Hidden Urbanism, ze aan als hij schrijft dat ‘de ontberingen bij de bouw, de dwangarbeiders, de ongelukken en de kolossale kosten (-) bijna een vage herinnering zijn’.

De Russische auteurs van de artikelen in Hidden Urbanism, onder wie Sergej Koeznetsov, de huidige chef-architect van Moskou, doen de herinnering aan de bloedige kant van de Moskouse metro verder vervagen. Ze hebben zich beperkt tot bouwkundige en kunsthistorische beschrijvingen van de ‘mooiste metro ter wereld’. Aan de hand van een overstelpend aantal foto’s, ontwerptekeningen en archiefstukken belichten ze gedetailleerd de technische constructies van de metro en de vele sculpturen, reliëfs, mozaïeken en andere kunstwerken in en op de stations. Een foto-essay brengt het onderhoudswerk in beeld dat voortdurend aan de metro wordt uitgevoerd. Ook de grafische vormgeving van de metroplattegronden, waarvoor de ontwerpers goed gekeken hebben naar die van de London Underground, heeft een rijk geïllustreerd hoofdstuk gekregen.

Paleizen

Meer dan de helft van het boek is gewijd aan de architectuurgeschiedenis van de metro. Hierin beschrijft Zmeoel hoe de stalinistische machthebbers begin jaren dertig de zakelijke ontwerpen die de Russische constructivisten eind jaren twintig hadden gemaakt voor de metro, van tafel veegden. De Moskouse metrostations moesten de paleizen van het communisme worden, vonden ze, gebouwd in een rijk versierde socialistisch-realistische stijl die op de waardering kon rekenen van boeren en arbeiders.

In veel westerse ogen zijn de stations uit de Stalintijd daarom één protserige pot nat. Maar Zmeoel laat zien dat het socialistisch realisme in de jaren dertig een grote diversiteit kende, variërend van art-deco tot zwaar neo-classicisme. Niet zelden zijn de stations uit die tijd verbluffend goede architectuur, zoals het Majakovski-station van architect Aleksej Doesjkin uit 1938 met zijn glimmend metalen art-decobogen en koepels met mozaïeken van schilder Alexander Deineka. Zelfs het constructivisme was toen ondanks de ongenade waarin het onder Stalin was gevallen, niet helemaal taboe. Zo mocht de ‘rationalist’ Nikolaj Ladovski in 1935 de toegang van het station Krasnye Vorota de vorm geven van vier onversierde, steeds grotere bogen van beton.

Pas na de Tweede Wereldoorlog werd het socialistisch realisme de eenheidsworst waar het in het Westen om bekend staat. De architectuur werd toen sacraal, schrijft Zmeoel, de paleizen van de Moskouse metro veranderden in tempels die steeds groter en pompeuzer werden.

    • Bernard Hulsman