Overpeinzingen #1 uit 1975 van S. Montag

Overpeinzingen S. Montag, het alter ego van de deze week overleden journalist H.J.A. Hofland (1927-2016), zou in totaal 1.845 afleveringen van zijn rubriek ‘Overpeinzingen’ schrijven. De eerste verscheen in 1975 en staat, als eerbetoon, hieronder.

H.J.A. Hofland in 1986. Foto Vincent Mentzel

De eerste ‘Overpeinzing’ van S. Montag stond op 28 juni 1975 in deze krant. Het zouden er 1.845 worden. Op 4 juni stond de laatste op deze plaats. Montags alter ego, de journalist H.J.A. Hofland is deze week overleden. Hij werd 88 jaar.

Samuel Montag liep bij zijn geboorte al tegen de zestig en zou die leeftijd altijd houden, schreef Geert Mak eens. „Een oudere heer, veel op straat lopend, in het openbaar vervoer zittend, altijd rustig om zich heen kijkend, inwendig al het bizarre noterend dat de moderne mens in zijn jachtig bestaan ontging” – zo heeft Hofland Montag zelf beschreven.

Over Montags geboorte doen twee verhalen de ronde. Hoflands versie: het was een noodgreep, nadat een columnist van het Algemeen Handelsblad, Nico Scheepmaker, uit protest was opgestapt omdat hij een stukje over de kroonprinses niet wilde aanpassen, zoals adjunct-hoofdredacteur Hofland hem had gevraagd. Een vervanger bleek echter niet te vinden, dus liet de „assistent van de hoofdredacteur” zich „door zijn schrijfmachine leiden” en schreef hij het stuk dat begint met de zin „Een kamerplant heeft mij tot massamoordenaar gemaakt.” Ondertekend: S. Montag

Het andere, waarheidsgetrouwere verhaal is dat Montag al eerder debuteerde en wel in 1973, bij een bespiegeling die door niemand anders dan Hofland geschreven kan zijn. Hij tekende met Samuel Montag, de enige keer dat hij zijn voornaam gebruikte. Korte tijd later dook hij nog eens op, als auteur van een herdenkingsstuk over A.P. Scheltema, de voormalige eigenaar van een legendarisch journalistencafé in Amsterdam waar Hofland graag kwam.

Over één ding bestaat geen twijfel. Het pseudoniem is ontleend aan de Britse handelsbank Samuel Montague & Co., waarvan Hofland een advertentie had gezien.

Montag wordt, schreef Hofland, „gedreven door de reconstructie van zijn jeugd en de triestheid van het vergaan van de tijd”. Hij voorspelde een tragisch einde in een ziekenhuis maar daar is het (voor beiden) niet van gekomen. Hoflands alter ego is, zoals hij al voorspelde, vermoedelijk in het niets opgelost, „ergens onderweg van de ene straathoek naar de andere”.

Als eerbetoon aan die scherpzinnige, soms wat mopperende Amsterdammer, staat zijn eerste Overpeinzing uit 1975 hierbij nog eens gepubliceerd.

Overpeinzingen 1 - S. Montag

Een kamerplant heeft mij tot massamoordenaar gemaakt, en dat is als volgt in zijn werk gegaan. Het zal nu ongeveer twee jaar geleden zijn dat ik mij een fuchsia aanschafte, een gewas in een pot, bloeiend, goed in het blad en stevig van stam. Aanvankelijk liep alles bevredigend, maar na verloop van een paar weken werd de plant steeds triester: een gevolg van aantasting door een bepaald gedierte, een soort vliegje en zijn larven.

Automatisch kiest men in een dergelijk geval voor de plant en tegen het dier. (Bij de tegenstelling tussen gras en koe bijvoorbeeld is het precies andersom.) Raadpleging van een deskundige leerde dat de bespuiting met een bepaald mengsel van zeepsop en spiritus weldra geen levende larf of vlieg op het blad zou overlaten. Een rigoureus middel, want ook de plant werd hierdoor zichtbaar aan de rand van de afgrond gebracht. Geen sier meer voor de vensterbank zijnde, werd ze naar een hoek van de tuin gedeporteerd.

Maar o wonder! De steen die door de tempelbouwers… In ieder geval deden regen en zon hun heilzame werk, en hoewel vliegjes de fuchsia bleven kwellen, was het dieptepunt voorbij.

Toen de winter aanbrak, verdween het gedierte en ik haalde de plant in huis, op zolder, in een vertrek waar ik regelmatig kom.

Dode onderdelen werden gesnoeid, en andere takken die ik nadelig voor een eventuele groei achtte, sneed ik, na langdurig beraad met mijzelf, ook af.

In het voorjaar kwam de beloning voor de trouw die ik mijn fuchsia betoond had. Overal verschenen uitspruitsels en begon fris jong groen blad te groeien. Een hartverwarmend schouwspel. Aan de vliegen dacht ik niet meer. Tot op een morgen het eerste gedrochtje, van van God weet waar, was teruggekeerd om zijn heilloos werk voort te zetten. Ik hield mijn sigaar onder het blad waarop het had plaatsgenomen, zo dat het vrijwel in de dunne rooksliert verdween. Het insect schoot omhoog en stortte onmiddellijk daarna levenloos neer. De eerste gesneuvelde van het seizoen. Wat lag er nog in het verschiet?

Ik onderzocht het uitwendig nog ongeschonden kadavertje, eerst met een vergrootglas, vervolgens onder een eenvoudige microscoop. Wat ik zag was geen pretje. De vlieg heeft een spookachtig aanzien. De trijpen vleugels zijn spierwit en het achterdeel van het lichaam dat een vettige indruk maakt, heeft dezelfde kleur. Insectenpoten zijn ons zoogdieren toch al vreemd en vervullen ons met xenofobe weerzin. Dit doet ook de kop die is uitgerust met grote zwarte ogen.

Zo mogelijk nog meer afkeer wekt echter de larf (als het hierna te beschrijven creatuur tenminste de larf is). Zij is aanmerkelijk kleiner dan de vlieg en met het blote oog slechts waarneembaar als een ongestructureerd puntje. Maar de microscoop leert anders. Vermoedelijk hebben we hier te doen met een van de meest vraatzuchtige onder de miniatuurmonsters, waaronder een fuchsia te lijden kan hebben. Het dier is ovaal en voorzien van een aantal met weerhaken beklede poten. Ook met een speldenpunt, die er onder de lens uitziet als het uiteinde van een heipaal, valt deze onophoudelijk doorvretende larf niet van zijn plaats te duwen. En dan te bedenken dat er dikwijls tientallen op één blad zitten. Godgodgod.

De relatie tussen vlieg en larf is mij niet duidelijk. Zijn ze twee fasen in dezelfde metamorfose? De vlieg legt eieren, dat is bekend. Daaruit kruipen nieuwe ondieren die zich vervolgens weer tot vliegen transformeren. Maar hoe, waar en wanneer, en trouwens óf de larf in een vlieg verandert, dat zijn raadsels waarvan de oplossing mijn geduld te boven gaat. Voor mij volstaat de wetenschap dat ze vijanden van de fuchsia zijn, en dus ook de mijne. Maar wat te doen?

Herwigs Praktische Tuin-Encyclopaedie, tweede druk, 1949, waarin dit parasietendom als ‘witte vlieg’ of ‘motluis’ bekendstaat, meldt dat een scheut tetrachloormethaan op een lap nog het meest belovend is, maar dan moet de eigenaar van de geteisterde plant een gasdichte kist in huis hebben. Zo praktisch als Herwig zich vindt, is hij dus niet.

Maar als de nood het hoogst is! Zou het succes hebben als ik de ‘motluis’ eens persoonlijk te lijf ging? Zo gedacht zo gedaan: ik nam een blad tussen duim en wijsvinger en drukte meteen al zes vliegen tegelijk dood. Hierdoor aangemoedigd begon ik de andere bladeren te behandelen, en weldra waren op deze wijze meer dan tweehonderd vijanden omgekomen en als stofjes neergedwarreld. Nu verzon ik allerlei listen om het dodenaantal te kunnen opvoeren. Zo leerde ik met behulp van gordijn en leeslamp de invalshoek van het licht te veranderen, waardoor ik grote aantallen insecten ontdekte die zich tot dan in de schaduw verborgen hadden gehouden. Met één streek van mijn duim herschiep ik hele larvenkolonies in knekelvelden. Complete families werden op zondagmorgen aan hun ontbijt door de dood verrast. Onder de fuchsia, wier voortbestaan nu onverbrekelijk met het mijne is verbonden, hopen de kadavers zich op, want rusteloos planten de vliegen zich voort, en even rusteloos worden ze vermoord. Door mij, de dierenvriend! Na iedere massamoord was ik mijn handen.

In de Memoirs of Hecate County beschrijft Edmund Wilson het lot van iemand die een vijver had waarin hij, voor het plezier van beide partijen, eenden kweekte. Toen vestigde zich een roofschildpad in het water, die de eenden aan een poot naar beneden trok en opat. De man kocht een geweer en beschoot de schildpadden, maar zijn schot was niet opgewassen tegen het tempo van hun voortplanting. Bovendien begon het toenemende aantal gesneuvelde dieren hem te hinderen.

‘Kook er soep van,’ zei hij tegen zijn vrouw. Het was uitstekende soep, die ook door zijn gasten werd geprezen. ‘Die moet je inblikken,’ zei een van hen. Ook dit gebeurde, en zo werd hij van eendenredder tot schildpaddensoepfabrikant.

Altijd weer zijn het de perversies van onze toewijding die ons overvallen, waardoor we al te gretig capituleren, en die onze zwakke onschuld reddeloos vermoorden.

    • Hans Steketee