De drie raketten op het draaibare platform stonden schuin omhoog gericht – met hun kop ongeveer naar de plek

waar, in het westen, de zon zich achter de wolken schuilhield. Oleg bekeek ze voor het eerst met diepe afkeer: hoe ze zich met hun groene schacht aftekenden tegen de parelgrijze lucht. Ondanks hun gewicht van zevenhonderd kilo zagen ze er rank uit, en leken ze elk moment licht als een vuurpijl weg te kunnen suizen, in een baaierd van vonkende sterretjes. Stom wapentuig, altijd in geduldige dreiging wachtend op een menselijke vinger om in beweging te komen.

De hele week had er een hardblauwe hemel over de velden hier gestaan, maar vandaag was het bewolkt – een egaal dek, zonder doorkijk. Alleen waar de zon hing, lamp achter matglas, leek het dunner en lichter. Het liep tegen zessen, schatte Oleg. Hij had zijn horloge in dronkenschap verdobbeld, en van zijn smartphone was de tijdsaanduiding op hol geslagen. Niet dat de bewolking de warmte tegenhield. Door een klamme benauwdheid liep iedereen te zweten, behalve Oleg dan. Onder het camouflagepak was zijn lichaam bedekt met kippenvel, zoals hij dat als jongen wel had na langdurig zwemmen in een koud meertje. De zon op zijn huid werkte dan averechts, en zette de donshaartjes overeind in plaats van zijn lijf te verwarmen. De kalasjnikov van de ene in de andere hand nemend bestudeerde hij zijn bruine armen met de zongebleekte beharing. Het kippenvel dat hij voelde, bleef voor het oog onzichtbaar, net als het trillen van zijn vingers. Het moest een inwendig beven zijn, als na een wodkafestijn dat te abrupt stopte. Ditmaal kon het de drank niet zijn, want deze week had de commandant van zijn eenheid, ‘hetman’ Mazepa, het zuipen verboden: Russische instructeurs waren hier om onderricht te geven, en daar diende iedereen een heldere kop bij te hebben – op die Russen zelf na dan.

Sinds ruim een uur klonk uit het schooltje achter Olegs rug gelach, geschreeuw en gevloek, alles omlijst met gerinkel van glaswerk. Hij onderscheidde twee soorten Russisch: wat ze hier ‘Moskous’ noemden en het Russisch van de streek, dat hij zelf sprak. Soms vielen de stemmen voor even stil – tot iemand een hartgrondig ‘bljad!’ liet horen, en de hele bende weer in een liederlijk gebrul uitbarstte.

‘Voor de duivel, wat een toestand.’ Oleg herkende de stentor van Mazepa. ‘Dit gaat alles veranderen. Het is nu al heilzaam voor mijn dorst.’

Al duidde zijn gebeef dan niet op ontwenning, een stoot wodka kon Oleg ook wel gebruiken. Normaal hoefde hij het klaslokaaltje maar binnen te gaan om zijn beker te laten volschenken. Vanmiddag had hij zich, door kritiek te leveren op zijn commandant (‘U heeft informatie voor me achtergehouden’), van alle feestelijkheden uitgesloten. ‘Ga maar buiten op wacht staan bij het theeservies,’ had Mazepa geroepen. ‘Je verziekt hier de hele sfeer met je chagrijnige bakkes.’ Het theeservies, dat was de combinatie van drie legergroene pantserwagens die voor het schoolgebouw stonden opgesteld: commando, radar en lanceer. Verderop in de berm twee diepladers, een korte en een lange, met opvallend witgelakte cabines.

Hier stond hij dan, ver beneden zijn rang, op het luchtdoelgeschut te passen. Het voelde als in de hoek staan vroeger op school, na door de meester te zijn afgeblaft. Aan de overkant van de eenbaansweg die langs de speelplaats liep, hielden enkele strijders uit zijn peloton de wacht rond de grote schroeiplek in het veld, die nog wat nasmeulde. Af en toe passeerden dorpelingen uit Snizjne het gebouwtje, waar ze als kind misschien zelf nog les hadden gekregen. Ze wierpen er steelse blikken op, maar vermeden het opzichtig naar het theeservies te kijken. Meer belangstelling toonden ze voor het uitzicht tussen twee rijen bomen die de weg afzoomden. Je zag vanhier Grabovo liggen. Een man wenkte een vrouw, en wees: ‘Het is bij de oude kippenfabriek.’

Daar ontrolde zich laag boven de einder bijna horizontaal een donkere rookkolom, smal en pikzwart aan de bron, geleidelijk zich verheffend en verbredend, vager en grijzer wordend, tot hij zowat verticaal naar de wolkenhemel steeg, en daar oploste. ‘Het lijkt wel,’ zei de man, ‘of ze alle overgebleven autobanden van de Majdan tegelijk aan het verbranden zijn.’

‘Dit is geen rubber,’ zei de vrouw. ‘Moet je zien hoe ver weg... en mijn ogen tranen nu al.’