Opinie

    • Robbert Dijkgraaf

Amerikaanse toestanden

De Oude en Nieuwe Wereld lijken verwikkeld in een race naar de bodem. Tussen Trump en Brexit worstelen zowel Amerika als Europa met een zwakke economie, immigratie en aanwakkerend nationalisme. De politiek zit evenzeer op slot in Washington als in Brussel. Commentatoren wijzen met een opgestoken vingertje naar de andere kant van de oceaan. Het is wellicht niet de beste tijd om over en weer lessen te leren. Maar als een ‘antropoloog op Mars’ wil ik toch enkele observaties van het Amerikaanse wetenschapssysteem delen.

De Amerikaanse levenshouding werd voor mij perfect samengevat in een recent artikel in The New Yorker dat de Verenigde Staten vergeleek met Denemarken – het land dat keer op keer eindigt als de gelukkigste natie ter wereld. Waarom willen Amerikanen niet zijn zoals de Denen, met hun gratis onderwijs, uitstekende gezondheidszorg en genereuze kinderopvang? Vrij vertaald was de conclusie: Amerikanen streven naar veel méér en nemen met veel minder genoegen.

Het zijn de enorme foutenmarges, naar boven én naar beneden, die dit land tekenen. Daarom vind je hier zowel het beste als het slechtste, vaak vlak naast elkaar – in de samenleving, in de cultuur en ook in de wetenschap. Die hoge pieken en diepe dalen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, als een schommelende beurskoers. Naast alle negatieve aspecten zijn er drie positieve kenmerken die uit deze elasticiteit volgen: diversiteit, autonomie en vernieuwing.

Europa en Amerika hebben beide zo’n vierduizend universiteiten, maar de verscheidenheid in de Verenigde Staten is vele mate groter, zowel in omvang als missie. In de schoolkrant van onze zoon die dit jaar eindexamen doet, staat een kaart met de circa 150 verschillende instellingen, verspreid over 33 verschillende staten en 10 landen, waar zijn 300 jaargenoten naar toe gaan.

Aan de ene kant van het spectrum vind je liberal arts colleges – kleine, vaak zeer selectieve universiteiten die zich uitsluitend op de bacheloropleiding toeleggen en de vlam van de algemeen vormende opleiding brandend houden. Aan de andere kant zijn er topuniversiteiten die nauwelijks of helemaal geen studenten hebben. Caltech eindigt vaak bovenaan in wereldwijde ranglijstjes, maar neemt jaarlijks slechts 240 eerstejaars aan. In de recente Leiden Ranking stond de biomedische Rockefeller University op de eerste plaats. Totaal aantal bachelorstudenten: nul. Er zijn instellingen die qua budget zijn te vergelijken met een flinke middelbare school. Daarentegen is de jaaromzet van universiteiten als Harvard en Stanford zo’n 5 miljard dollar, in de buurt van de totale Nederlandse rijksbijdrage aan het wetenschappelijk onderwijs.

De studiekeuze is aan weerszijde van de oceaan gespiegeld. In Europa kies je in eerste instantie het vak, daarna de universiteit. Je wilt tandarts worden en kijkt dan naar de beste opleiding. In de VS kies je eerst een instelling met een bepaalde onderwijsfilosofie, de studiekeuze volgt later. Zelfs de elite-universiteiten van de Ivy League hebben een verschillende insteek. Zo heeft Columbia een verplicht kerncurriculum. Iedereen leest Plato, luistert naar Bach en worstelt met statistiek. Brown laat het programma juist volkomen vrij; je kunt je eigen studie samenstellen. In Princeton zijn de eerste twee jaar breed, waarna studenten zich pas gaan verdiepen in een vak.

Deze enorme diversiteit correleert met een andere karakteristiek van het Amerikaanse systeem: autonomie. Deze zelfstandigheid is rechtstreeks verbonden met financiële onafhankelijkheid. Veel universiteiten zijn privaat en zelfs de zogenaamde publieke instellingen zijn grotendeels afhankelijk van eigen inkomsten. Prestigieuze staatsuniversiteiten als Berkeley, Texas en Michigan – de kurk waarop het hoger onderwijs lange tijd dreef – zijn nauwelijks nog publiek te noemen. De staatsbijdrage aan Berkeley is maar 13 procent van het budget. Tien jaar geleden, vóór de financiële crisis, was dat nog 26 procent.

De economische ongelijkheid groeit ook in het hoger onderwijs. De toppen worden hoger, de dalen dieper. Succesvolle universiteiten trekken meer geld aan, voornamelijk van rijke alumni. Harvard voert nu een fondsenwervingscampagne met een doel van 10 miljard dollar. Het enorme vermogen van Princeton vertaalt zich in een bijdrage van anderhalve ton per student per jaar.

De kosten van een universitaire studie zijn in de V.S. astronomisch hoog. Vier jaar studie kan gemakkelijk een kwart miljoen dollar kosten. Maar het is ironisch dat juist de allerbeste universiteiten zo rijk zijn dat ze in principe onbeperkt beurzen kunnen verstrekken om wereldwijd de meest talentvolle studenten aan te trekken.

De noodzaak van instellingen om zich in een keiharde competitie te onderscheiden, gekoppeld aan de autonomie en de financiële onafhankelijkheid, geeft een onweerstaanbare drang tot vernieuwing. De Amerikaanse universiteit moet zichzelf steeds opnieuw uitvinden. Opvallend genoeg zijn bijna alle succesvolle innovaties in het Nederlandse systeem ontleend aan het Amerikaanse model: brede programma’s, kleine klassen, intensieve begeleiding, wonen op de campus, hogere financiële bijdragen, online colleges, university colleges, brede bachelors, interdisciplinaire opleidingen en honourstrajecten.

Natuurlijk is er een spiegelbeeldcolumn te schrijven over de voordelen van het Europese model, de toegankelijkheid van het onderwijs en de traditie van samenwerken, iets waar Nederland wereldkampioen in is en wat in de VS nauwelijks voorkomt. Maar in een continent dat wegzinkt in een collectieve depressie zijn de Amerikaanse universiteiten nog steeds zeldzame lichtpuntjes.

    • Robbert Dijkgraaf