Afscheid

Een halve eeuw geleden schreef de Belgische schrijver Simenon: “Ik geloof in de mens.” Zijn hoopvolle wereldbeeld wankelt nu, schrijft Bas Heijne.

Op een decemberdag in 1960 noteerde de Belgische schrijver Simenon in een dagboek waarom hij blij was in zijn eigen tijd te leven. „Geloofsbelijdenis” schreef hij erboven. Daaronder: „Als dat belachelijk klinkt, jammer dan.”

Hij had, schreef hij, twee oorlogen meegemaakt, bezettingen en massale slachtpartijen. Keek hij om zich heen, dan zag hij onrecht en grove misstanden. En politici en bankiers die vooral aan zichzelf dachten. Toch dacht hij dat hij in ieder ander tijdperk vóór hem als mens slechter af was geweest.

Er was reden tot trots. Ja, elke dag vonden er gruwelijkheden plaats, maar die werden steeds feller veroordeeld. Echt vrij was de mens niet, maar slavernij bestond vrijwel niet meer. Racisme was allesbehalve verdwenen, maar steeds meer mensen raakten doordrongen van hun gedeelde menselijkheid. Het militarisme was op de terugweg, de jacht op wilde dieren omstreden. De machtigen van zijn tijd voelden zich steeds meer moreel verplicht de zwakkeren te beschermen. Klasseverschil bestond nog, maar niemand geloofde er diep in zijn hart nog in. Je kon steeds meer zeggen en schrijven wat je dacht, zonder tot martelaar te worden gemaakt.

Bovendien besefte de mens steeds meer dat hij niet het middelpunt van de schepping was, maar deel van een groter geheel – wat dwong tot bescheidenheid.

De schrijver geneerde zich een beetje voor zijn optimisme, omdat hij besefte dat er zoveel tegenin te brengen viel. Er was haat en onrecht en barbarij. Bovendien knaagde diep in hem de twijfel – dat humanisme van hem, was dat eigenlijk wel natuurlijk? Was de mensheid niet gewoon sentimenteel geworden? Bekeek je het zo, dan was er misschien geen sprake van vooruitgang, maar juist van degeneratie, een proces waarbij de mens zijn eigen biologische roots verloochende en tegen zijn natuur inging.

Die gedachte maakte hem onzeker, maar hij weigerde aan zijn twijfel toe te geven. Genoeg reden voor hoop – en zelfs voor trots. Daarom durfde hij het onomwonden op te schrijven: „Ik geloof in de mens.”

Het hoopvolle wereldbeeld dat Simenon die decemberdag schetste, was grofweg het wereldbeeld waarmee ik opgroeide – een op de Verlichting gebaseerd en door de gruwelen van de twee wereldoorlogen afgedwongen droom van toenemende gelijkheid en rechtvaardigheid. Zoals Simenon terdege besefte, was die droom eerder een uiting van geloof, een streven, dan een rotsvaste toekomstvoorspelling. Want was het niet te veel gevraagd? Hoeveel empathie kon je eigenlijk van een mens verwachten? Was de mens van nature niet geneigd om de eigen groep boven de mensheid te stellen, zijn eigen geloof of overtuiging tot enige superieure waarheid te verklaren, zijn ontzag voor de sterkere voorrang te verlenen boven solidariteit met zwakkeren?

De kracht van Simenons geloofsbelijdenis zit in zijn twijfel. Wanneer het humanisme te zeker van zichzelf wordt, wordt het onherroepelijk naïef – en ook hypocriet.

Overal is nu de reactie gaande tegen de hoopvolle verwachting die Simenon schetste – in het Amerika van Trump, het Groot-Brittannië van Nigel Farage, het Turkije van Erdogan, het Rusland van Poetin en het Nederland van Geert Wilders.

Gaan we afscheid van dat wereldbeeld nemen? Is het te naïef gebleken, te rooskleurig, te politiek-correct?

Het grootse verwijt dat je de bestuurlijke elite kunt maken is dat men dat wereldbeeld uitdraagt zonder overtuiging, dat men het gebureaucratiseerd heeft. Het is het wereldbeeld van een klasse geworden, zonder groot draagvlak. De tegengeluiden vanuit Europa tegen Brexit waren pragmatisch, calculerend en vaak bloedeloos. Redelijk ja, verstandig ook, maar zonder existentieel elan.

Op CNN zag ik de Britse historicus Simon Schama een tirade afsteken tegen de krachten die het wereldbeeld van Simenon onderuit proberen te schoffelen. Volgens hem ging Brexit vooral om afkeer van immigranten, net als bij de opkomst van Trump.

Ongetwijfeld, maar wat mij verbaasde was zijn ontzetting. Hoe naïef was het te denken dat we zulke emoties voorgoed achter ons gelaten zouden hebben?

Een halve eeuw geleden, in een tijd van naoorlogs optimisme, begreep Simenon al dat humanisme nooit een gelopen race is. Domweg omdat het deels tegen de menselijke natuur zelf ingaat. Het moet voortdurend bevochten worden. Wie dat nu nog niet beseft, roept het onheil over zichzelf af.