‘Achteraf is alles simpel’

Biochemicus Piet Borst heeft na ruim 50 jaar zijn lab gesloten en stopt na 23 jaar met zijn column in NRC. Terugblik op een lange loopbaan als onderzoeker. ‘Kanker is een formidabele tegenstander.’

Piet Borst over zijn loopbaan „Ik heb veel geluk gehad.” Foto Frank Ruiter

Piet Borst, beroemd door zijn onderzoek naar kanker, kijkt liever vooruit dan terug, al is hij bijna 82. Toch begint het gesprek bij zijn moeder, die tandarts was en daarmee ophield toen hij geboren was, het derde kind van de zes die ze zou krijgen. Van haar vier zoons gingen er drie geneeskunde studeren, in navolging van hun vader, die hoogleraar interne geneeskunde was aan de Universiteit van Amsterdam.

Uw schoonzuster Els [Borst-Eilers] vertelde eens in een interview dat uw moeder haar kinderen zo stimuleerde omdat ze haar eigen ambities niet had kunnen waarmaken.

„O ja?” Klein lachje. „Els was min of meer het zevende kind in ons gezin, want ze was bevriend met mijn oudste zuster en ze kwam veel bij ons thuis. Later trouwde ze met mijn oudste broer. Ze kon het ongelooflijk goed met mijn vader vinden. Ze keek tegen hem op en aan tafel werd intensief over geneeskunde gepraat. Ik vond het ook absoluut fascinerend wat mijn vader deed. Dat ik geneeskunde ben gaan studeren was zo vanzelfsprekend dat ik er niet eens over heb nagedacht.”

En uw moeder…

„…was een slimme en sociale vrouw die met veel enthousiasme tandarts was geweest, maar het niet miste toen ze ermee gestopt was. Het vak van mijn vader vond ze veel belangrijker. Ze hielp hem waar ze kon.”

Wat fascineerde u zo in het werk van uw vader?

„Het had de twee kanten waar het mij ook altijd om gegaan is: iets doen voor patiënten en het vak vooruit helpen door te denken: hoe zít het nou precies, wat is het achterliggende mechanisme. Mijn vader is beroemd geworden door zijn klinische studies, zijn zeer zorgvuldige waarnemingen aan patiënten en het zoeken naar de basisprincipes. Hoe werkt de nier? Wat is een hoge bloeddruk?”

Lees ook: De eerste column van Piet Borst, september 1993: Wat is leven?

Niet: wat is kanker?

„Kanker viel in die tijd onder chirurgie. Chemotherapie was er nauwelijks, de internist had er weinig mee te maken. Mensen met kanker werden geopereerd en als de tumor niet kon worden weggenomen, of niet helemaal, dan was het hopeloos.”

U zou nu biologie zijn gaan studeren, schrijft u ergens. En u bent uiteindelijk geen praktiserend arts geworden, maar biochemicus.

„Geneeskunde wás vroeger biologie. Als je je in de basisprincipes wilde verdiepen, was geneeskunde de weg. Biochemie bestond nog niet.”

U deed uw promotieonderzoek naar de energiehuishouding van cellen, want het idee was zo rond 1960 dat kanker ontstond als die verstoord was.

„Wat niet zo bleek te zijn.”

En dan schrijft u dat de basale vragen naar de oorzaken van kanker nu voor een groot deel zijn opgelost. En u was erbij!

„Biochemie is een fantastisch vak gebleken. Ik heb veel geluk gehad.”

Maar met dat promotieonderzoek naar de energiehuishouding zaten jullie wel op de verkeerde weg.

„Ik zou eerst ook endocrinoloog worden, ik had al een opleidingsplaats bij Querido in Leiden. Maar iedereen wilde bij hem in opleiding, dus ik stond op de wachtlijst en wilde mijn tijd goed gebruiken. Ik was al gepromoveerd en ik dacht: ik heb eigenlijk nooit iets met nucleïnezuren te maken gehad, met DNA en RNA, laat ik daar eens aan gaan werken. [Het was acht jaar nadat Watson en Crick de structuur van DNA hadden ontdekt.] Via mijn baas Slater kon ik terecht bij Ochoa in New York, die de Nobelprijs had gekregen voor zijn onderzoek aan RNA, en bij hem heb ik onderzoek gedaan naar de vermenigvuldiging van virussen in bacteriën.”

En u bent nooit meer naar Leiden gegaan.

„Ik vond het onderzoek waar ik daar aan zou gaan werken niet zo goed en toen belde Slater: of ik lector [nu hoogleraar] wilde worden in Amsterdam. Ik had moeten zeggen: ik ben 29 en ik heb weinig ervaring in de biochemie, dus om nou een eigen afdeling op te gaan zetten… Toen dacht ik: dat kan ik best.”

Wanneer begon u te begrijpen dat de oorzaak van kanker in het DNA moest worden gezocht?

„In de jaren zeventig, en begin jaren tachtig begon ik erover mee te praten. Ik zat nog niet bij het Nederlands Kanker Instituut, maar ik was wel lid van de wetenschappelijke raad van het KWF en daar werd toen voorgesteld om minder aandacht te besteden aan tumorvirussen [virussen die het DNA beschadigen en zo kanker kunnen veroorzaken], want dat was een doodlopende weg. Ik zei: jullie zijn niet goed snik, alleen door dat soort onderzoek kunnen we gaan begrijpen wat er mis is in een kankercel.”

Wat is er mis in een kankercel?

„Het fundamentele regelmechanisme is ontregeld, waardoor de cel zich kan blijven vermenigvuldigen. Cellen vermenigvuldigen zich graag – hoe meer cellen, hoe meer vreugde – maar in de evolutie is er een stringente selectie gekomen op cellen die zich in hun eentje beginnen te vermenigvuldigen ten koste van andere cellen. Dat mechanisme om abnormale cellen te voorkomen is zeer verfijnd, en op de kennis die we daar nu over hebben zijn nieuwe therapeutische mogelijkheden gebaseerd. Het is nog niet wat het zijn moet, maar het is al veel beter dan dertig jaar geleden, toen alles experimenteel was. Je gaf taxol, uit taxusbomen, hartstikke giftig, en dan hoopte je maar dat het voor de tumorcellen giftiger was dan voor normale cellen. We zijn nu in een fase dat we beter weten wat er in die bepaalde tumor bij die bepaalde patiënt is veranderd waardoor de tumor kan groeien. Daardoor kun je gerichter middelen inzetten.”

Als directeur van het NKI-AVL liet u onderzoek doen naar die afweer van normale cellen tegen kankercellen en hoe die gebruikt kan worden bij de behandeling van kanker.

„De immunotherapie, ja, waarvan ook lang gedacht is: dat wordt nooit iets. Maar ik vind, als iets niet werkt terwijl het in principe wel zou moeten werken, dan moet je meer fundamenteel onderzoek doen. Daardoor weten we nu hoe een tumor in staat is om het immuunsysteem van de gastheer af te schakelen, en hoe slim dat gebeurt. En er zijn al methoden ontwikkeld om het te doorbreken. Jonge mensen met uitgezaaide melanomen, waar we voorheen absoluut niets voor hadden, kunnen nu soms al genezen worden. Ik heb er grote verwachtingen van.”

U heeft ook veel onderzoek gedaan naar resistentie van kanker tegen chemotherapie en uit uw columns krijg je de indruk dat tumorcellen altijd weer iets nieuws weten te verzinnen om ons te slim af te zijn.

„Kanker is een formidabele tegenstander en het principe van mutatie en selectie dat de evolutie heeft gedreven zien we in verkleinde vorm terug bij tumoren. Het begint met foutjes in de DNA-reparatie, waardoor er zich meer mutaties ophopen dan in normale cellen, en zo ontstaan er allerlei varianten die bestand zijn tegen de afweer van hun gastheer.”

Heeft u ooit gedacht dat de oplossing voor alle kanker nabij was?

„Twintig jaar geleden dacht ik dat we vandaag zo ver zouden zijn, maar dat is lelijk tegengevallen. Het is veel gecompliceerder gebleken dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden.”

Wat op theoretisch niveau wel te begrijpen valt. U heeft vaak beschreven hoe rommelig het proces van evolutie is.

„De evolutie doet maar wat, ja. Wat natuurkundigen kunnen, voorspellen op basis van natuurwetten, dat kunnen wij helemaal niet. Voorspellingen in de biologie zijn of triviale extrapolaties van dingen die we al weten of ze zijn fout. Ik heb de gekste dingen meegemaakt. Een groot stuk in Science, in 1970 of zo, met de boodschap dat we nu alles wisten van genexpressie, de rest was mopping up. Een paar jaar later werd de recombinant-DNA-techniek uitgevonden en ging er een doos van Pandora open. We konden opeens menselijke genen in een stukje bacterieel DNA zetten, we konden ze in grote hoeveelheden maken en bestuderen hoe ze werkten, onvoorstelbaar. Mensen zeiden achteraf wel tegen mij: waarom heb jij dat niet ontdekt?”

Waarom heeft u het niet ontdekt?

„Omdat het niet voor de hand lag! Achteraf is alles simpel. Maar wat ons nog te wachten staat, niemand die het weet.”

U heeft wel een aantal andere ontdekkingen gedaan, bijvoorbeeld hoe parasieten die slaapziekte veroorzaken zich verweren tegen het immuunsysteem.

„De trypanosomen. Ze vermenigvuldigen zich in onze bloedbaan en ons immuunsysteem maakt antilichamen tegen de buitenkant ervan, de mantel, en die zijn dodelijk. Maar de trypanosoom heeft een systeem ontwikkeld waardoor hij eindeloos van mantel kan wisselen, ongelooflijk. En dat systeem hebben we weten te ontrafelen. We ontdekten ook een nieuwe bouwsteen in DNA, de base J, en aan het eind van mijn carrière heb ik nog ontdekt waar die voor dient. Gepubliceerd in Cell, daar ben ik heel trots op.”

Bent u ook in toepassingen geïnteresseerd?

„Meer in: hoe zit het. Maar ik heb ooit een test helpen ontwikkelen waarmee je prenataal kunt screenen op het Zellweger-syndroom, een erfelijke stofwisselingsziekte waarbij een kind een paar maanden na de geboorte begint te dementeren, gruwelijk om te zien. Patiënten kunnen geen peroxisomen maken, de delen van de cel die ervoor zorgen dat afvalstoffen worden afgebroken. Het idee was altijd dat die peroxisomen niet zo belangrijk waren, maar daar had ik andere ideeën over. Ik ben aan die test gaan werken nadat de vereniging van ouders van Zellweger-patiëntjes me erom gevraagd had.”

Waarom heeft u uw lab nu gesloten?

„Geen geld meer. En ik ben oud, laten we wel wezen. Maar ik mis mijn lab wel, als ik eerlijk ben. Ik ga nog iedere dag naar het NKI en de lust tot het doen van onderzoek is nog krachtig aanwezig. Dat is het nadeel als je niet dement bent.”

Merkt u wel achteruitgang?

„Natuurlijk ben ik niet meer zo scherp als twintig jaar geleden. Mensen van mijn leeftijd die zeggen dat ze geen verschil merken hebben geen ziekte-inzicht. Met de ouderdom komt de wijsheid, maar wijsheid kan een andere woord voor dementie zijn. Je houdt vast aan wat je weet, hoe je de dingen eerder gedaan hebt. Een nieuw probleem op een nieuwe wijze oplossen is er niet meer bij. Mijn column zal ik ook missen, maar ik heb er vrede mee. Fysiek is de achteruitgang ook duidelijk. Je energie neemt af. Ik had vroeger een enorme capaciteit om te werken en drie dingen tegelijk te doen. Dat is niet meer zo. Ontkennen is fluiten in het donker.”

Uw moeder is op haar 57ste aan kanker overleden.

„En mijn vader op zijn 73ste, ook aan kanker. Terwijl hij was gebouwd om 100 te worden. In onze familie blijven we redelijk mager en we zijn niet belast met erfelijke stoornissen in het vetmetabolisme die je slagaderen laten dichtslibben. We gaan niet zo gemakkelijk dood aan een hartinfarct.”

Waarmee de kans dat u ook aan kanker zult overlijden groter wordt.

„Met die gedachte houd ik me niet bezig.”

    • Jannetje Koelewijn