We rommelen maar wat aan als we sterven

In zijn nieuwe verhalenbundel gooit de Britse schrijver Mark Haddon de netten van zijn fantasie wijd uit, met een precies en poëtisch resultaat dat erop neerkomt dat we nergens veilig zijn.

Mark Haddon in Oxford in 2013 Foto David Levene/eyevine

Op een mooie zomerdag in 1970 stort aan het eind van de middag in een Brits kustplaatsje een pier in. Het is iets over vijf, op het strand is het nog druk, als de voorlaatste van acht klinknagels waarmee een belangrijke dragende balk was vastgezet het begeeft. Daarna wordt een deel van de pier met mensen en al de zee in gesleurd. Steeds meer stukken hout en metaal begeven het. Er zitten nog mensen in het reuzenrad; sommige van hen springen. ‘Zestig seconden verstreken, zeven mensen dood, drie overlevenden in het water’, schrijft Mark Haddon.

Om vervolgens zorgvuldig het exacte verdere verloop van de ramp te verslaan, nauwkeuriger dan een journalist zou kunnen. Over een jochie van zes dat tussen de balken in het water ligt en zijn ouders niet wil loslaten: ‘Het jongetje ziet toch wel dat ze dood zijn? De helft van zijn vaders hoofd is weg.’ Een man die een hond redt, wordt ‘met gejuich en geschreeuw begroet door een menigte die graag een klein beetje goed nieuws wil vieren.’ Dan: ‘Acht minuten. Negenenvijftig doden.’ ‘Veertien minuten. Zestig doden.’

Weggelopen dochter

Waarom moeten we dit allemaal lezen? Omdat Mark Haddon het prachtig beschrijft: precies en poëtisch. Om hoe mooi hij het drama van hele mensenlevens kan samenvatten in enkele zinnen: ouders die nooit het verband zullen leggen tussen hun weggelopen dochter en de ingestorte pier en altijd blijven wachten, een jongen die zal blijven geloven dat zijn ouders in Frankrijk wonen. Die dochter is dood, natuurlijk, die ouders zijn dood.

En wie Haddon louter kent van zijn bestseller The Curious Incident of the Dog in the Night-Time (2003) zal het misschien verbazen, maar zijn hele verhalenbundel gaat over de dood. We gaan allemaal dood en bij sommige mensen gebeurt het hinderlijk in het midden van wat ze aan het doen waren. Het openingsverhaal van The Pier Falls dient vooral om dat vast te stellen, dreigend en met evenveel liefde voor taal als begrip voor mensen.

In de overige acht verhalen legt Haddon de nadruk op wat mensen zoal aan het doen zijn als ze sterven, of bijna sterven. We rommelen maar wat aan en dat laat Haddon erg mooi zien. In zijn familieromans A Spot of Bother (2006) en The Red House (2012) was al te lezen hoe graag en hoe goed hij gedoe tussen mensen beschrijft; uit deze korte verhalen blijkt nog duidelijker hoe hij het slordige weefsel van de menselijke relaties glashelder kan samenvatten. En in elk verhaal is de dreiging onontkoombaar, of het nu gaat over een prinses die alleen op een onbewoond eiland is achtergelaten, een eerste groepje kolonisten dat zich op Mars heeft gevestigd, een handvol avonturiers in de Braziliaanse jungle of ‘gewone’ mensen, dichterbij huis. Een man met ernstig overgewicht. Een tienjarig jongetje met een fout vriendje.

Wildeman

Haddon werpt het net van zijn fantasie wijd uit. En we zijn nergens veilig. Die boodschap verwoordt hij het duidelijkst, maar ook het krankzinnigst in ‘Wodwo’ (‘Wildeman’), een verhaal dat begint als de beschrijving van een kerstdiner in een gegoede familie, vol onbegrip en ergernissen, maar dat ontaardt in een moderne navertelling van het veertiende-eeuwse Heer Gawein en de groene ridder. Daarin, en in dit verhaal, komt een vreemdeling langs die de aanwezigen uitdaagt om hem te vermoorden. Een van hen (toen heer Gawein, nu Gavin) neemt de uitdaging aan. Dat verstoort veel meer dan alleen een etentje – en bij Haddon lijkt het slechter af te lopen dan in het origineel.

De allermooiste beschrijving van permanente onveiligheid geeft Haddon in het slotverhaal ‘The Weir’ (‘De stuw’). Een vrouw wil zelfmoord plegen in een rivier. Een man redt haar. Ze zijn allebei ongelukkig. Ze raken onbeholpen in gesprek. Ze blijven in gesprek. Ze veranderen elkaars leven zoals een stuw de loop van een rivier verandert. ‘Vrienden is het woord niet’, schrijft Haddon. ‘Zij is vierentwintig, hij is drieënvijftig.’ Maar ze verzacht zijn angst voor de dood door naar hem te luisteren en hij is misschien een reden voor haar om niet uit het leven te stappen. ‘Soms zijn ze alleen maar samen, als een oud echtpaar of twee koeien in de wei.’ Maar tegen de dood is niets opgewassen, laat Haddon zien. We doen ons best om goed te leven, en verder? We zijn nog niet eens in staat om zelf te kiezen tussen de pier en de stuw, en we kunnen ons hooguit laten troosten door liefde – en door fictie.

    • Ellen de Bruin