Uitersten van het politieke spectrum

Tom Lanoye en Wessel te Gussinklo Twee schrijvers van formaat laten zich in hun prikkelende en soms baldadige essays uit over de wereld om hen heen. Beiden manifesteren zich vooral als hartstochtelijke pleitbezorgers voor de literatuur.

Onlangs sprak Tom Lanoye de laudatio uit bij de jubileumbijeenkomst van de 250 jaar oude Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Het was een hilarisch, even retorisch als theatraal betoog: de lachsalvo’s moeten tot ver op het Leidse Rapenburg te horen zijn geweest. Retorisch zijn ook de stukken in Revue Lanoye. Filippica (polemische replieken), maar het theatrale ontbreekt helaas – dat zullen we er zelf bij moeten denken, net als de lachsalvo’s.

Te Gussinklo heeft sympathie voor Fortuyns baldadigheid

De rode draad in deze bundel bestaat uit een aantal brieven aan een zekere Jonathan Jacob, verslaafd aan amfetamine en gestorven in de cel terwijl een speciaal politieteam hem tijdens een psychotische aanval hardhandig in bedwang hield. Volgens Lanoye zou dit incident de ‘terreur van de antiterreur’ aantonen, maar wat hem het meeste dwars lijkt te zitten is het feit dat de daders ermee weg dreigen te komen, zonder ook maar schuld te bekennen of boete te doen. J’accuse in Vlaanderenland – een rol die Lanoye met gretigheid en pathos op zich neemt, ook al geloof ik niet dat er bij onze zuiderburen dagelijks junkies door de politie worden vermoord.

Illustraties Paul van der Steen

De rol past bij de teneur van het merendeel van deze ‘filippica’s’, waarin Lanoye zich als een voorbeeldige linkse intellectueel gedraagt, getuige onder meer zijn politiek-correcte bijdrage aan het zo langzamerhand hysterische proporties aannemende ‘Zwarte Pietendebat’ of zijn curieuze reactie op een van de aanslagen in Parijs, bestaande uit reserves ten aanzien van het ‘te voorspelbaar’ geworden Charlie Hebdo en een relativerende omschrijving van de islamitische terroristen (‘twee mentale dreumesen met een baard’).

Nattigheid

Wel voelt Lanoye soms nattigheid ten aanzien van zijn eigen voorspelbare standpunten. Wanneer hij zich tegen een ‘boerkiniverbod’ keert en braaf opmerkt dat het Westen toch ook ‘verminkende tradities’ kent, vraagt hij zich af: ‘Is dit een typisch staaltje van westerse zelfkastijding?’, om vervolgens te concluderen dat het hier om ‘zelfkritiek’ gaat. Helaas geen zelfkritiek van de eigen opvattingen.

Minder interessant voor de Nederlandse lezer zijn de stukken, bijna alle zeer kritisch, over bij ons onbekende Vlaamse politici en andere publieke figuren, maar dat geldt niet voor Lanoye’s sympathieke pleidooien voor Louis Paul Boons eigen taal, het ‘boonsiaans’, voor Jef Geeraerts en diens inderdaad geweldige Gangreen-romans en voor Georges Rodenbach, schrijver van het symbolistische meesterwerkje Bruges-la-Morte uit 1892.

Ook Wessel te Gussinklo weet in Vijf sterren voor de gaarkeuken aanstekelijk te schrijven over literatuur. Daarvan getuigt de fraaie analyse van een subtiele scène in Mulisch’ Twee vrouwen, evenals de heldere uiteenzetting van de motieven in zijn eigen werk. De werkelijkheid beschrijft hij als een ‘jungle waarin men vecht voor ruimte tegen allen, tegen iedereen’, terwijl zijn immer falende personages daarin de ‘totale uitdaging’ aangaan. ‘Zelf god worden’: voor minder doet de jonge hoofdpersoon van Te Gussinklo’s grote roman De opdracht (1995) het niet. Hij moet er zwaar voor boeten.

Apotheker

Een dergelijk wereldbeeld geeft, literair én existentieel, reliëf aan de meer politiek getinte stukken in deze essaybundel. Bijvoorbeeld wanneer Te Gussinklo zijn apotheker per brief laat weten dat hij niet bediend wil worden door iemand met een hoofddoekje (‘getuigende aankleding van het uiterlijk’) of wanneer hij na de erkenning dat de meeste moslims ‘vriendelijke, vreedzame en vaak heel aardige en hartelijke mensen’ zijn, vaststelt dat ‘de ideologische bedreigers en moordenaars […] tegenwoordig vrijwel allemaal islamieten’ zijn. Geen wonder dat een getuigend hoofddoekje hem dan angst kan inboezemen.

Zo’n opmerking plaatst Te Gussinklo, tegenover Lanoye, aan het andere uiteinde van het politieke spectrum. Tegelijkertijd is duidelijk dat de politiek, anders dan bij Lanoye, ver verwijderd ligt van zijn gebruikelijke biotoop, die allereerst uit literatuur bestaat. En uit hoogst persoonlijke obsessies, waarin zowel plaats is voor een tegendraadse identificatie met de destructieve negentiende-eeuwse Russische anarchist Netsjajev als voor een zinnige kritiek op de neiging om in Hitler met alle geweld een psychopaat te zien.

Grote blije kater

Ook zijn sympathie voor Pim Fortuyn als ‘grote blije kater’ te midden van de ‘zieke vogeltjes’ (een beeld dat het befaamde televisiedebat na Fortuyns verkiezingszege in 2002 treffend samenvat) lijkt minder met diens politiek dan met diens baldadigheid te maken te hebben. Een baldadigheid die in een ander essay nota bene wordt verbonden met Simon Vestdijk, van wie Te Gussinklo tevens de ‘formidabele leesbaarheid’ prijst. Je moet maar durven.

Baldadigheid is Te Gussinklo zelf evenmin vreemd, getuige het vileine portret van Dirkje Kuik (weet iemand nog wie hij/zij was?) of een tegenwerping (na een obligaat anti-Israël argument) als: ‘Jawel hoor, hoeiboei, toeterdetoeter’. Ik herken er verder ook wel iets in van de ‘Slavische overdrijving’ die hij zichzelf toeschrijft en die zich onder meer manifesteert in zijn uit duizenden herkenbare ‘brede’ stijl met al die lange, stuwende zinnen vol haakjes en gedachtestreepjes.

Bij Lanoye krijg je de indruk dat hij als publieke intellectueel steeds met een half oog de tribune in de gaten houdt; bij Te Gussinklo vindt een veel eenzamer discours plaats, waarin de schrijver niet toevallig soms zichzelf (‘o ongelukkige Te Gussinklo’) aanspreekt en belooft om, als alles fout gaat en de literatuur niets meer voorstelt, ‘liever te vechten in de laatste loopgraven van de dingen die mijn hart hebben, al is het aan de kant van de verliezers, dan te overleven’.

Slavische overdrijving ongetwijfeld, maar ik geloof hem op zijn woord.

    • Arnold Heumakers