Trainers en premiers, spelers in dezelfde liga

luukvanmiddelaar0

Oekraïne won vorige maand het Eurovisie Songfestival en deed toch mooi mee bij het EK voetbal, al ligt het er nu uit. Met deze beide prestaties heeft het land zijn plaats in de collectieve verbeelding van de Europese ruimte verstevigd; miljoenen mede-Europeanen hebben Oekraïne horen zingen, hun team zien spelen, als vol lid van de familie. Voor een onzekere natiestaat is dat grote winst, waarbij het Nederlandse nee tegen het EU-Oekraïne-verdrag in het niet valt. Het Verenigd Koninkrijk, nu in politiek opzicht op de drempel van Europa, is bij het voetballen met maar liefst drie landsdelen vertegenwoordigd: Noord-Ierland, Wales en Engeland. Alleen de Schotten doen niet mee. En dan is namens de British Isles ook Ierland nog actief. Bovendien zijn ze alle vier door naar de laatste zestien; Bremain dus, ten minste in het toernooi.

Na een bezoek bij de premier van Portugal opende Europese-Raadsvoorzitter Donald Tusk begin deze week zijn persconferentie zo: „Geloof me, ik weet wat er door jullie heenging toen Cristiano Ronaldo in de 79e minuut op de paal schoot.” De Pool zei te spreken als voetbalfan. Ik denk dat hij ook sprak als oud-premier. Nergens zien onze democratische samenlevingen hun eenheid zo goed weerspiegeld als in de politieke arena en op de voetbalmat. Vandaar dat in de collectieve verbeelding de voetbaltrainer van de nationale ploeg een vergelijkbare plek inneemt als de premier of president. Bij het EK voetbal van 2004 wisselde Dick Advocaat een goed spelende Arjan Robben op het verkeerde moment; na het toernooi moest hij onder druk van De Telegraaf ontslag nemen. Later dat jaar werd Jan Peter Balkenende de kop van jut van het volksgevoel. Coaches en premiers worden projectieschermen van nationale emoties en verlangens, onder intense publieke aandacht raken ze klem tussen de noodzaak leiderschap te tonen en hun onvermogen de gebeurtenissen beslissend te beïnvloeden. Soms pakt het goed uit. De Fransen hebben president De Gaulle, le Général, wij hebben Rinus Michels, de Generaal.

Dankzij de Rode Duivels hervindt België dezer dagen tussen terreuraanslagen en stakingen enig zelfvertrouwen. Bovendien zien de Belgische supporters een ploeg met zwarte spelers in leidende posities – de geblesseerde aanvoerder Kompany en de scorende Lukaku, één generatie later dan Gullit en Rijkaard in Nederland.

„Zo’n oerkracht is feestelijk, memorabel en angstaanjagend”

Het Duitse publiek omarmde het nieuwe multi-etnische Duitsland tijdens het ‘zomersprookje’ van WK 2006; Frankrijk toen het wereldkampioen werd in 1998 met de veelkleurig equipe ‘black blanc beurre’ – een variatie op het ‘bleu blanc rouge’ van de nationale vlag.

In zijn heerlijke boekje Een kleine filosofie van de bal, uitgekomen vlak voor het WK 2006, schreef Tom Eijsbouts: „Elk spel van enige kwaliteit of ambitie wekt en trekt aandacht. Deze belangstelling kan bijna kosmische proporties aannemen. De finale van het WK 2006 op 9 juli wordt door tweederde van de wereldbevolking gevolgd. Zo’n oerkracht is feestelijk, memorabel en angstaanjagend.”

Het leven ligt even stil. Vier miljard mensen keken naar een grasveld in Berlijn, zoals de keren erna in Johannesburg, in Rio de Janeiro, met Moskou op komst. Een gigantische virtuele ontmoeting. Elk van de kijkers kan er later bij een ontmoeting naar verwijzen, desnoods alleen met namen, momenten, doelpunten, lichaamsbewegingen. Het maakt van de wereld even één publieke ruimte. Hopelijk doet Nederland volgende keer mee.

    • Luuk van Middelaar