Opinie

Stamppot

Vanwege de ‘wateroverlast’ moest ik aan mijn vader denken. Hij ging een werkend leven over fietspaden die na heftige regenval met rood lint moesten worden afgezet, over ondergelopen kelders, over het aansturen van andere ambtenaren die poolshoogte moesten nemen bij de grote rivieren, over rampenplannen die moesten worden afgestoft, over acute dijkverzwaringen en over een tekort aan zandzakken in het provinciaal depot.

Code oranje bestond nog niet, maar als Erwin Kroll een langdurige depressie aankondigde kookte mijn moeder alvast vooruit. Altijd stamppot met verse worst of slavink. De stress die de verantwoordelijkheid met zich meebracht was groot. Na iedere bijna-ramp – echte rampen gebeurden nooit – werden er van hem evaluatierapporten met verbeterpunten verwacht die nog niet af waren als Erwin de volgende bijna-ramp alweer aankondigde.

„Daar gaat de zomervakantie”, zei hij als in het voorjaar de uiterwaarden overstroomden.

Het wonderlijke karakter van mijn vader bracht mee dat hij ons in zijn vrije tijd meenam naar waterkeringen, sluizen, gemalen en dijken. Zodat we ook eens in gezinsverband zagen hoe hij achter de feiten aanliep.

Rubber laarzen aan en naar de Westervoortse dijk, waar altijd water onderdoor sijpelde. Vanaf de plakkerige achterbank van de groene Mazda 323, waarin het altijd naar benzine rook, keken we dan naar hoe hij quasi nonchalante gesprekjes voerde met een klontje boeren, burgers en buitenlui. De ruitenwissers zwiepten, de radio stond aan en mijn moeder rookte Stuyvesant Rood.

„En?”, vroeg ze als hij het zand van zijn schoenen schopte.

„Naar Nederhemert.”

Onvermoeibaar stapelden we op zo’n zaterdag nederlaag op nederlaag, maar zo herinnerde mijn moeder het zich dan toch niet meer. In Velp was alles ondergelopen, zei ze monter door de telefoon. In het wijnkeldertje van meneer Elbers stond het water wel een halve meter hoog.

„En bij jullie? Een stroomstoring in Diemen, hoorde ik op het nieuws.”

„Niks van gemerkt”, zei ik. „Wel veel plassen op de weg.”

Ze zei nog net niet ‘he, gezellig’, maar ze had bij de supermarkt wel andijvie en Zeeuwse klei-aardappelen gekocht. En bij de slager slavinken, vier voor vijf euro.

Toen het ’s avonds niet meer regende dwong ik vriendin en kind tot een fietstocht langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Het was een rechte weg, het water klotste tegen de dijk. Er waren geen bezorgde burgers, er sijpelde niets onderdoor en ik zag ook nergens een bezorgde ambtenaar die met of zonder zijn gezin poolshoogte kwam nemen.