‘Sommigen zullen zich rot schrikken’

Opera Eigenlijk zijn het allemaal mini-operaatjes waaruit ‘Dr. Miracle’s last illusion’ is opgebouwd. En dan is de hoofdfiguur ook nog eens een echte kampioen goochelen.

In Dr. Miracle’s last illusion is de sfeer die van het Parijse variété uit het fin de siècle. Foto: Morten de Boer

In Theater aan de Schie wordt hard gewerkt aan een experiment: wat krijg je als je opera kruist met illusionisme? Het gezelschap Opera2day wil met Dr. Miracle’s last illusion het beste van twee werelden combineren – de mooiste aria’s en échte trucs.

De voorstelling is het geesteskind van Serge van Veggel, regisseur en artistiek leider van Opera2day. Van Veggel had aanvankelijk kleinschalig locatietheater voor ogen, maar gaandeweg dijde het project uit. Voor zo’n klein gezelschap is het een enorme onderneming geworden, de grootste tot nog toe, zegt Van Veggel, maar bang zich te vertillen is hij geenszins: „Je wilt laten zien wat je dromen zijn.”

Dr. Miracle is een collage-opera, samengesteld uit erkende hoogtepunten uit het repertoire: van Bellini en Verdi tot de ‘Liebestod’ uit Wagners Tristan und Isolde. „Die fantastische waanzinscènes in 19de-eeuwse opera’s hebben iets magisch”, zegt Van Veggel. „Diezelfde beeldpoëzie zie ik terug in het illusionisme. Ik wilde die dingen bij elkaar brengen.”

De sfeer is die van het Parijse variété uit het fin de siècle. Dr. Miracle is een rondreizende illusionist, gespeeld door meervoudig Nederlands kampioen goochelen Woedy Woet. Wanneer zijn assistente tijdens een act verongelukt, raakt Dr. Miracle geobsedeerd door ‘het licht’, de overgang tussen leven en dood. Hij wil grip krijgen op die ultieme truc – wat ten koste gaat van een reeks assistentes. De voorstelling is vormgegeven als een terugblik van Dr. Miracle op zijn zoektocht en wordt verteld door een voice-over; zelf zwijgt de Doctor, zoals het goochelaars betaamt.

In de openingsscène schiet Dr. Miracle zichzelf dood en valt in slowmotion zijn graf in. Dan wordt zijn kleine reizende theatertje de bühne op gereden en staat hij er weer, triomfantelijk. Truc numero één, we kunnen beginnen.

Allemaal timing

„Eigenlijk zijn het allemaal mini-operaatjes”, zegt Van Veggel over de zeven scènes die telkens zijn opgebouwd rond een beroemde aria (en één ballet). Die afwisseling zorgt voor visueel spektakel, maar is wel een tour de force om te realiseren, met een tweetal multifunctionele toneelmuren als scenisch houvast.

Niet voor niets dus dat het team in het Theater aan de Schie dagenlang repeteert zonder dat er een noot wordt gespeeld of gezongen. Goocheltrucs vallen of staan met timing, en pas zodra alle scènes technisch in elkaar zijn gezet én muzikaal afgestemd volgen de repetities met het ensemble en de zangers.

Vandaag wordt ‘de vuur-special’ uitgeprobeerd. De bedoeling is dat een van Dr. Miracles assistentes, vertolkt door een danseres van de Dutch Don’t Dance Division, in een omlaag getakelde doodskist gaat liggen, die vervolgens in vlammen opgaat. Tamelijk luguber, maar wel precisiewerk – het neerlaten van de doodskist moet op de seconde en op de millimeter nauwkeurig getimed.

De muziek bij deze act laat zich eigenlijk wel raden: Stravinsky’s Vuurvogel. Maar de coördinatieopname waarmee gerepeteerd wordt klinkt amper zoals we het ballet tegenwoordig gewend zijn. Geen ziedende drive en beukende regelmaat, maar opvallende tempofluctuaties, een licht, dansant karakter. „De sfeer ligt veel dichter bij Saint-Saëns”, zegt dirigent en muzikaal leider Hernán Schvartzman, die de technische repetitie ook bijwoont. Deze ongewone opname is zijn referentiepunt – zó gaat hij straks het New European Ensemble leiden.

Welke uitvoering het is? Die van Stravinsky zelf uit 1929.

Patti Patti!

Uitvoeringspraktijk is een sleutelbegrip voor Opera2day. Het gezelschap is voortgekomen, net als Schvartzman zelf, uit de oudemuziekscene. Voor Dr. Miracle heeft Schvartzman zich uitgebreid verdiept in de uitvoeringspraktijk rond 1900, waarbij hij naast een karrevracht aan literatuur ook kon beschikken over een magisch hulpmiddel: geluidsopnames.

Backstage haalt Schvartzman een zwart koffertje tevoorschijn. Deze goocheldoos blijkt een oude grammofoon, en hij heeft een plaat meegenomen van Adelina Patti, een van de grootste sopranen aller tijden. (Toen ze Verdi vroegen wie zijn drie favoriete zangers waren zei hij: „Patti, Patti, Patti!”)

Eerst laat Schvartzman op zijn telefoon de grote hedendaagse zangeres Anne Sofie von Otter horen. Vervolgens legt hij de antieke plaat met dezelfde aria door Patti op de grammofoon. Het verschil is frappant. Patti voegt talloze ornamenten toe, laat haar stem glijden, fluctueert hevig in tempo en zingt geen moment gelijk met de pianist. „Dat kennen we nu nog in pop en soul”, zegt Schvartzman. „Maar klassieke musici hebben allemaal een metronoom-timing. In de tijd van Patti vond men een performance waarin zang en piano gelijk liepen niet interessant.”

Hoe leg je iemand uit hoe de stem van Michael Jackson klonk? Dat kun je eigenlijk alleen maar laten hóren. Hetzelfde geldt voor de sterren van een eeuw geleden. „Dat wij nu naar deze legendarische zangeres kunnen luisteren is een wonder, en een geweldige bron van uitvoeringsinformatie”, zegt Schvartzman enthousiast.

Op basis van zulk historisch onderzoek spoort Schvartzman zijn solisten aan tot veel vrijere timing en ornamentatie, zodat de wereld van rond 1900 in Dr. Miracle ook muzikaal herleeft. „Sommige operabezoekers zullen zich rot schrikken”, zegt hij. „Het wordt absoluut anders dan anders. Ik hoop dat er discussie ontstaat.”

    • Joep Stapel