Mensen, blijf bellen met die klachten

Op een avond over een plan voor windturbines op zee, klagen inwoners over veiligheid en afwikkeling van hun meldingen

Bewonersavond in De Hoekstee in Hoek van Holland georganiseerd door Burgemeester Aboutaleb. Foto: Peter de Krom

Er komen 59.000 windturbines in de Noordzee die kolencentrales overbodig maken. Burgemeester Aboutaleb maakte woensdagavond de inwoners van Hoek van Holland lekker met dit plan waaraan meerdere landen werken.

In wijkcentrum De Hoekstee waren klachten over fijnstof, stank en lawaai niet van de lucht. Zo’n 75 Hoekenaren waren afgekomen op de uitnodiging om met de burgemeester en deskundigen op het gebied van calamiteitenbestrijding en industriële veiligheid te praten. Ze hadden het over trillende ramen, een bromtoon ’s nachts, licht- en luchtvervuiling en de angst voor een aanvaring tussen twee tankschepen op de Nieuwe Waterweg. Ook kwam de vraag aan de orde hoe je Hoek van Holland uitkomt mocht zich een calamiteit voordoen.

„Bij een calamiteit”, zei Aboutaleb, „is er maar één de baas: dat is de burgemeester en dat ben ik. Ik kan in zo’n geval alles wat rolt bij wet vorderen: bussen, treinen, maar ook auto’s van particulieren. Ik kan de weg in één richting afsluiten, zodat meer verkeer het gebied kan verlaten; alleen voor de rijksweg heb ik de minister nodig, maar ik heb zijn nummer in mijn telefoon. We werken aan de metro: daar kunnen normaal 400 mensen in, maar als we moeten evacueren gaan er duizend in.”

Aboutaleb benadrukte dat de avond niet was belegd omdat er gevaar zou dreigen. „Er is geen reden voor zorg in het haven-industrieel complex van Rotterdam, op Boston na de grootste petrochemische haven ter wereld.” Na een rondgang langs de tafeltjes zei hij er niet van op te kijken dat de inwoners van Hoek van Holland zich soms in de steek gelaten voelen. „U woont 40 kilometer van de Coolsingel, dus ik begrijp dat gevoel. Ik beloof u dat ik vaker langskom.” Hij zegde meteen toe in het najaar een avond te beleggen met specialisten op het gebied van luchtkwaliteit, wetenschappers, onderzoekers, artsen.

Ook nodigde hij de Hoekenaren uit om een kijkje te nemen „bij onze calamiteitenbestrijdingsorganisatie want daar betaalt u, met alle andere Rotterdammers, 60 miljoen euro aan mee. Ik regel het vervoer.”

Het melden van klachten heeft niet altijd resultaat, bleek uit verhalen uit de zaal. Een man vertelde dat hij vijf keer had gebeld met de DCMR over een rokende boot. „Toen die boot nóg lag te roken en ik informeerde wat er met mijn melding was gedaan, bleek die te zijn gewist. Ik stop ermee, dacht ik. Zo’n club verbeter je toch niet.” Een vrouw in de zaal hoorde aan de telefoon dat haar man nooit meer mocht bellen: „Ik zeg: fijn dat u belt, maar mijn man is al een jaar geleden overleden.”

Aboutaleb kwam daar later op terug. „Ik vind het heel naar wat u is overkomen, mijn excuses daarvoor. Maar tot sint-juttemis zal ik herhalen: blijft u alstublieft melden. U kunt ook mij mailen. Ik lees mijn mail zelf, van zeven uur ’s ochtends tot ik ga slapen om de vijf of zes minuten. Soms zijn mensen stomverbaasd dat ik ze persoonlijk opbel.”

Sinds Rotterdam de overstap maakte van deelgemeenten naar gebieden is er veel veranderd, zei Klaas de Koning, voorzitter van de gebiedscommissie Hoek van Holland, aan het begin van de avond. Hoe sommige dingen nu geregeld zijn, noemde hij „een beetje wazig”. „In plaats van zelf een actieve rol in het milieubeleid te spelen, is het gebied afhankelijk van inzet en betrokkenheid van het centrale ambtelijke apparaat. Zonder daaraan afbreuk te willen doen, lijkt het accent meer te liggen op de stad dan op Hoek van Holland.”

„Maken jullie je zorgen?” vroeg Aboutaleb aan de tafel waar ook George van Gent zat, die onder vijf verschillende burgemeesters lid was van de Rotterdamse gemeenteraad voor de VVD. „Het blijft mensenwerk”, antwoordde hij, „maar er is veel verbeterd.”

Was deze bewonersavond onderdeel van een charmeoffensief vanuit de Coolsingel? „Nee”, zei Aboutaleb na afloop desgevraagd. „Ik kom regelmatig in Hoek van Holland, alleen is dat niet voor alle bewoners zichtbaar. Dan praat ik met ondernemers of ben ik bij de gebiedscommissie. Ik kan me levendig voorstellen dat, als we niet oppassen, de mensen het gevoel krijgen aan hun lot overgelaten te zijn.”

    • Frank van Dijl