Recensie

Inventief ballet van de tekentafel

Nieuwe balletten zijn het levensbloed voor elke dansgroep, ook voor een klassiek repertoiregezelschap als Het Nationale Ballet. Wat dat betreft is de Holland Festivalbijdrage Transatlantic een prima programma, met drie premières van choreografen die zich van de academische techniek bedienen. Kijkend naar de balletten van de Amerikaan Justin Peck (28), de Brit George Williamson (25) en de Nederlander Ernst Meisner (34), slaat echter de twijfel toe. Want waarom kiezen voor een aanvulling van het repertoire als die in feite niets toevoegt? Die meer van hetzelfde toont, maar dan minder?

Peck, rijzende ster aan de overzijde van de Atlantische Oceaan, is bijvoorbeeld onmiskenbaar beïnvloed door het werk van George Balanchine. In The Year of the Rabbit zijn diens handelsmerken aanwezig: de neoklassieke bewegingstaal, de speelse nonchalance, het corps de ballet dat als bewegend en levend decor dient voor duetten en pittige solistische fragmenten.

Aan inventiviteit ontbreekt het Peck niet. Hij strooit met bewegingsgrapjes en sculpturale groepsopstellingen. Maar alles lijkt van de tekentafel te komen, gekunsteld en fragmentarisch. Juist door de verwantschap met Balanchine begint het gemis aan noodzaak dan uiteindelijk toch te knagen.

Merge van Meisner mist vooral spanning, en dat is een vreemde gewaarwording bij een duet dat zo duidelijk de invloed van Hans van Manen verraadt. De erotische spanning uit diens duetten ontbreekt echter tussen Igone de Jongh en haar jonge danspartner Martin ten Kortenaar. Doordat ook de bewegingen, met name van de armen, minder pittig zijn, verflauwt de aandacht voor deze romantische ontmoeting.

Evenals David Dawson, wiens Overture in dit programma wordt hernomen, is Williamson een vertegenwoordiger van het leger navolgers van William Forsythe (oude stijl). Hij beheerst de lenige danstaal, met zijn extreem opgerekte lijnen en overstrekkingen, en ook groepeert hij zijn formaties fraai in de ruimte. Toch blijft Crane onbevredigend, stuur- en richtingloos, ook al heeft het wel sfeer, mede dankzij een stemmig duister toneelbeeld.

Natuurlijk kan van dergelijke jonge danskunstenaars niet worden verwacht dat zij het topniveau leveren dat Het Nationale Ballet al op het repertoire heeft. Toch zijn interessanter keuzes denkbaar. Tegenwoordig kijken gerenommeerde balletgezelschappen (waaronder de Parijse Opera en het Ballet de Lyon) regelmatig verder dan hun (neo-) klassieke neuzen lang zijn. De resultaten daarvan inspireren en verrassen zowel dansers als publiek.

Het Nationale Ballet maakt soms heus ook wel voorzichtige uitstapjes, kiest echter toch meestal voor de veiligheid van het bekende. Maar de kwaliteit van het bestaande repertoire kan best wat meer avontuur verdragen.

    • Francine van der Wiel