Recensie

Het wankelend beeld van Rome

Mary Beard schreef het eerste boek over Rome dat niet wemelt van de fouten, al schiet het methodisch tekort.

Romeinse tijden herleven in 2014 op het Romeinenfestival in Nijmegen, waar op het Kops Plateau 2000 jaar geleden de Romeinen hun legerplaats hadden Foto Flip Franssen

Elk voorjaar zijn er twee evenementen waarmee de Oudheid in het zonnetje wordt gezet: de Week van de Klassieken en de Romeinenweek. En altijd wordt daar de vraag gesteld of er een goede website of een goed boek bestaat met meer informatie over de Romeinen.

Nee. Voormalig hoogleraar Fik Meijer heeft het in 2005 geprobeerd, maar Macht zonder grenzen bevat tientallen feitelijke onjuistheden, methodische fouten en zelfs pseudo-wetenschap. Dit is problematisch in een tijd waarin er steeds meer hoog opgeleide lezers zijn die zulke fouten zien en sceptisch worden over de wetenschap.

Vanzelfsprekend worden de oudheidkundige disciplines niet als enige geconfronteerd met gezagsverlies: ook over UMTS-masten, autisme en klimaatverandering worden wetenschappers niet zomaar geloofd. Onder wetenschapscommunicatoren is er daarom consensus dat ze niet slechts feiten moeten presenteren, maar ook het wetenschappelijk proces. Het is een eerste stap om uit te leggen waarom wetenschap niet ‘ook maar een mening’ is, maar een betere mening.

Voor de oudheidkunde betekent dit uitleg van het filologisch handwerk, de archeologische methoden en de historische verklaringsmodellen. Doordat dit echter nog onvoldoende gebeurt, blijven de oudheidkundige disciplines geschaduwd door flauwekul als: de Perzische Oorlogen waren beslissend voor de Europese cultuur, de oude Egyptenaren waren zwart, er worden Dode-Zeerollen achtergehouden, Alexander de Grote was een verlichte geest, de Romeinen zijn nooit in Nederland geweest, Archimedes vernietigde schepen met brandspiegels.

En nu ligt er dan S.P.Q.R. Een geschiedenis van het Romeinse Rijk van Mary Beard, werkzaam aan een van de beste universiteiten ter wereld, Cambridge, en bekend van tv-programma’s over het oude Rome. Als iemand de laatste inzichten uit de oudheidkundige disciplines kan overdragen volgens de laatste opvattingen over wetenschapsvoorlichting, zou zij het moeten zijn. Het eerste gaat haar goed af: de informatie die ze aanbiedt, is gedegen.

Rangorde

Nu kan een redelijk opgeleide burger met wat kritische zin over veel van de door Beard behandelde onderwerpen ook op internet behoorlijke informatie vinden. Maakt dat een overzichtswerk als S.P.Q.R. niet overbodig?

Bepaald niet. Op websites als Wikipedia is er immers geen rangorde tussen belangrijke en onbelangrijke informatie, en een boekenauteur kan dat onderscheid wél aanbrengen. Illustratief is Beards behandeling van de veldslag bij Cannae in 216 v.Chr., waarin de Karthaagse veldheer Hannibal een groot Romeins leger versloeg. Beard laat de tactische details, die doorgaans de aandacht trekken, vrijwel onbehandeld en legt in plaats daarvan uit dat de Romeinen door hun nederlaag waren gedwongen hun muntstelsel te hervormen. Ook vertelt ze hoe individuele burgers de bouw van een vloot financierden, wat ze beschouwt als aanwijzing voor het Romeinse patriottisme, voor de penibele staatsfinanciën én het feit dat er ondanks de oorlogsinspanning nog volop burgers waren met aanzienlijke financiële armslag. Dergelijke duiding zul je niet snel aantreffen op Wikipedia en dit is de reden waarom boeken nog niet irrelevant zijn.

Beard legt ook uit waarom ze de tactische details onbehandeld laat: de bronnen zijn te onduidelijk en we kennen de locatie niet goed genoeg om er iets werkelijk zinvols van te zeggen. Helaas laat ze dit soort uitleg vaak ook achterwege. Zo stelt ze ergens dat keizer Augustus in zijn propaganda koningin Cleopatra probeerde te presenteren als een decadente oosterse heerseres. De luxe aan het Egyptische hof werd daartoe, volgens Beard, nogal overdreven voorgesteld. Ze heeft ongetwijfeld gelijk maar gooit het plompverloren neer zonder te verklaren hoe ze weet – hoe ze weten kán – dat Cleopatra niet leefde in excessieve weelde. We moeten haar maar op haar woord geloven en dat is nu net wat de steeds sceptischer wordende burger niet langer doet.

Abrupt einde

Te vrezen valt dat Beard, juist als het er bij de wat controversiëlere onderwerpen echt op aankomt, weinig sceptici voor de wetenschap zal winnen. ‘De waarheid is dat (-) het christendom moeilijk goed te definiëren is,’ schrijft ze stellig, na te hebben uitgelegd dat de christenen in de Late Oudheid hun geschiedenis hebben herschreven als een verhaal waarin de geloofswaarheid door wrede heidenen en schismatieken werd bedreigd maar uiteindelijk zegevierde. Beard heeft gelijk maar zal er behoudende gelovigen en Jezusmythicisten (die het i dee uitdragen dat het christendom is ontstaan uit heidense godsdiensten en Jezus niet heeft bestaan) niet mee overtuigen, terwijl die moeiteloos zien dat Beard iets claimt maar niet beargumenteert.

In dit geval zou h et hebben geholpen als Beard S.P.Q.R. wat verder had voortgezet. Ze breekt het echter af in 212 n.Chr., als keizer Caracalla het Romeinse burgerrecht verleent aan alle vrijgeboren mannen en er een einde komt aan wat ze een ‘burgerschapsproject’ noemt. Niet alleen is dit een abrupt einde – meestal eindigt een geschiedenis van het Romeinse Rijk in de vijfde eeuw of nog wat later – maar het betekent ook dat belangrijke aspecten onbehandeld blijven. Het staat Beard vrij te stoppen op een moment dat haar schikt, maar als ze niet echt uitlegt hoe de oude culten verdwenen, blijft de bewering in het luchtledige hangen dat de christenen zichzelf hielpen aan een triomfantelijke ontstaansgeschiedenis (‘de extreemste voorbeelden aller tijden van het herschrijven van de geschiedenis’).

Navraag bij enkele mensen die begin juni op het Nijmeegse Romeinenfestival het publiek informeerden, leerde dat ze gemengde gevoelens hadden bij S.P.Q.R. Een geschiedenis van het Romeinse Rijk. Het is vanzelfsprekend goed nieuws dat er voor het eerst in mensenheugenis een geschiedenisboek over Rome is dat niet wemelt van de feitelijke onjuistheden. Het boek leest in de vertaling van Ineke Mertens bovendien erg lekker weg.

De nadelen: een zeer belangrijk deel van de Romeinse geschiedenis blijft onbehandeld en de auteur licht boude claims onvoldoende toe. Als dan ook de methodische kant – de opgravingstechnieken, de verklaringsmodellen en het soms puur ambachtelijke handwerk – inadequaat wordt behandeld, zullen sceptici kunnen concluderen dat de oudheidkundige disciplines geen doordachte methoden hebben, een wetenschappelijke opleiding helemaal niet nodig is en oudheidkundigen van alles roepen zonder het te onderbouwen.

Beards boek is een voorbeeld van wat vroeger ‘populariseren’ heette: de universiteit beschouwde zich als ‘zender’ en de burger was een ietwat passieve ‘ontvanger’. In het huidige informatie-overaanbod is de rol van de burger actiever: hij selecteert zelf en bepaalt daardoor wat hij te horen krijgt. De wetenschapscommunicatie heeft zich daaraan aangepast door niet alleen de feiten te presenteren maar ook uit te leggen hoe we daaraan komen. Op dit punt schiet Beard echter tekort: terwijl ze Rome presenteert volgens de laatste inzichten, veronderstelt ze een publiek dat haar op haar woord gelooft. Dat kon een kwart eeuw geleden misschien, maar niet in 2016.