Recensie

Een genereuze muze

Deze rijke, lesbische beeldhouwster was het vleesgeworden Tachtigers-ideaal. Een knappe biografie laat zien dat ze behalve een mecenas ook een groot kunstenaar was.

George Hendrik Breitner: portret van Sara de Swart (1895)

Een verlegen schilder die vergeefs smacht naar een lesbische beeldhouwster: voor de Tachtigers was het dramatisch genoeg om er een ‘scheidsgerecht’ aan te wijden, op 12 oktober 1891 in een café in de Amsterdamse Kalverstraat. De schilder in kwestie, Eduard Karsen, had de subtiele, herhaalde afwijzingen van zijn goede kennis Sara de Swart zo slecht begrepen dat hij obsessief verliefd op haar werd, laster over haar verspreidde en bij psychiater Frederik van Eeden in behandeling moest.

De uitkomst van het door zijn bezorgde vrienden georganiseerde tribunaal vatte Karsen op als een blamage: zijn beeld van De Swart als een sigaren rokende, cognac drinkende duivelin werd als een waanidee en onbewezen aantijging beschouwd. Hij zonderde zich af, zij vergaf hem.

Beeldhouwster Sara de Swart (1861-1951) riep in haar omgeving vaker verwarde, agressieve reacties op. Ze was atypisch en onplaatsbaar: een belezen, rijke vrouw met een oeverloze liefde voor en kennis van kunst. Een volwaardig gesprekspartner voor welke schrijver, dichter of beeldend kunstenaar ze ook maar ontmoette – ze raakte er in haar leven met vele tientallen bevriend, zónder erotische bijbedoelingen.

Dichter Willem Kloos, die nadat hij zich bijna had doodgedronken vier maanden werd verpleegd door De Swart en haar vriendin Anna Vis, wist zich er geen raad mee. In zijn Nieuwe Verzen (1895) verwees hij zowel naar hun ‘vriendelijken omgang’ als naar een ‘liegend man-wijf’ – Vis, waarschijnlijk, op wie hij een oogje had. Kloos’ echtgenote Jeanne deed er in een terugblik nog een hatelijk schepje bovenop: volgens haar was de ‘fladderende, onbedwingbare, vrije, pikante’ De Swart ‘een feministe’ en ‘wat men noemt een Lesbienne’, die intriges spon en mannen te gronde richtte.

Testamenten

Uit de schitterende biografie van kunsthistoricus en beeldend kunstenaar Jaap Versteegh verrijst een heel ander karakter. Versteegh volgde De Swarts vaak moeilijk traceerbare spoor langs veilingverslagen, haar vele testamenten en fragmenten uit (dag-)boeken en brieven – onder meer uit de nalatenschap van zijn eigen grootvader, een neef en vertrouweling van De Swart. Het levert een minutieuze, zeer leesbare tekst op, meeslepend en geestig maar wars van te vrije interpretaties. Versteegh beschrijft zijn oudtante als een soort muze, een mecenas, netwerker en het vleesgeworden Tachtigers-ideaal: in tegenstelling tot de heren zelf offerde zij alles op aan de kunst.

In de rijke illustraties ligt die spanning al besloten. Foto’s van De Swarts lang ontmantelde kunstcollectie (met werken van Jan Toorop, Auguste Rodin en George Breitner, die haar ook portretteerde), haar eigen, kleine oeuvre en haar huizen en tuinen in Laren en Italië wijzen op een leven in artistieke weelde. De Swarts timide verschijning in een vormeloos werkhemd duidt eerder op sobere bescheidenheid.

Beide indrukken kloppen. De tikje melodramatische titel Fatale kunst verwijst naar de karaktereigenschap die De Swart dan wel niet letterlijk fataal werd (ze werd negentig), maar die haar wel ruïneerde: ze had een gat in haar hand. Het royale erfdeel van moederskant was in 1914 helemaal op. Te veel kunst gekocht, te veel armlastige ‘Grooten’ ondersteund, te veel ontvangsten georganiseerd. ‘Zij behoorde tot de categorie van mensen bij wie het geld niet wezen wil’, aldus Henriette Roland Holst, die gesteld was op haar buurvrouw uit Laren. Als bezuinigingsmaatregel verkaste De Swart in 1914 naar Italië met haar derde en laatste levenspartner, Emilie van Kerckhoff.

Ze bleek onverbeterlijk. Toen Van Kerckhoff na een tijdelijke scheiding uit ‘groot gevoel van liefde & medelij’ een tuinhuisje voor De Swart liet bouwen, ontdekte ze tot haar schrik dat haar ‘trouwe oudje’ ook hier weer schulden wist te maken, door warrige aankopen van grond en bouwmateriaal. De Swarts ‘geld-komplex’, zoals Van Kerckhoff het noemde, lijkt bovenal te zijn veroorzaakt door een totaal gebrek aan financieel inzicht. Als meisje van gegoede, doopsgezinde komaf was vrijgevigheid haar met de paplepel ingegoten. Ze zorgde beter voor andermans werk dan voor haar eigen, impressionistische beelden, die her en der verspreid geraakt zijn.

Verbitterd

Zoiets geeft te denken. Over welke eigenschappen moet een kunstenaar beschikken om ‘door te breken’? Welke rol spelen sociale komaf, sekse, seksuele voorkeur? Met meer trots en een minder controversiële levensstijl had De Swart ongetwijfeld meer naam gemaakt. Anderszijds, zoals haar biograaf met verbazing constateert: verbitterd of teleurgesteld raakte ze nooit, zelfs niet tijdens haar schrale, weinig eervolle oude dag. Ook nu redden de kunsten haar.

‘Ik geniet van uw boek [Het fregatschip] Johanna Maria’, schrijft ze in december 1942 aan Arthur van Schendel, die ook in Italië woont maar met wie de oorlog een ontmoeting verhindert. ‘Juist in deze donkere dagen én in mijn gevoel van dichterbij het einde van een overrijk schoon [sic] leven te staan, vervult het mij met „Licht en Geloof en Rust”.’

    • Sandra Heerma van Voss