Recensie

De zielenreiniging der dichters

Welke rol spelen schrijvers in het maatschappelijk debat? En wat betekent het als hun teksten alleen politiek geïnterpreteerd worden. Twee studies naar de betekenis van literaire tijdschriften laten het zien.

Er zijn wetenschappen die op zoek zijn naar verklaringen. De werkelijkheid is de objectieve norm die corrigeert. Daar tegenover staan wetenschappen die niet verklaren, maar ernaar streven ons begrip te vergroten. Onder die laatste categorie valt literatuurwetenschap bijvoorbeeld. Voor een dergelijk vak is het cruciaal wat de norm is voor goede wetenschap, want de werkelijkheid kan die rol hier niet spelen.

Dit probleem is belangrijk voor de beoordeling van Een hard en waakzaam woord, de dissertatie waarop Marije Groos onlangs promoveerde. Haar uitgangspunt is het bestaande clichébeeld van de Vijftigers: een groepje excentriekelingen die in een versteende maatschappij zorgde voor reuring door vernieuwing in de poëzie te eisen en te tonen. Verder dan de literatuur reikte hun interesse niet.

Groos wil dit beeld corrigeren: de Vijftigers waren niet slechts bezig met artistieke, maar ook bezig met maatschappelijke vernieuwing. Om dit te laten zien, gaat ze te werk volgens de methode van het ‘nieuw historicisme’. Literatuur gaat volgens deze stroming een voortdurende dialoog aan met haar historische context. In een literaire tekst wordt de realiteit gerepresenteerd, waardoor kennis van die context van belang is bij het lezen van een tekst. Omgekeerd geldt dat literatuur de context beïnvloedt, omdat zij weerklank vindt in de maatschappij.

Essentieel is daarbij hoe Groos ‘literair engagement’ definieert: het is ‘een specifieke vorm van betrokkenheid bij actuele maatschappelijke en politieke kwesties in een tekst, daaraan uiting gevend middels een stellingname.’ Zij bespreekt achtereenvolgens drie casussen: het herdenken van de Tweede Wereldoorlog, de dekolonisatie in de Oost en de Koude Oorlog.

Koude Oorlog

Trouw aan het nieuwe historicisme geeft zij eerst een schetsmatige beschrijving van de historische context. Maar hoe bepaal je wat je van de context moet weten om een literaire tekst beter te kunnen begrijpen? Kun je volstaan met een korte beschrijving van de Koude Oorlog die leest als een lemma uit een tweedelige encyclopedie of is het noodzakelijk om standpunten van tijdgenoten weer te geven? Groos kiest voor het eerste.

Wanneer het gaat over de herdenking van de Tweede Wereldoorlog schrijft ze onder andere over een actie van de verzamelde Nederlandse literaire tijdschriften die in april 1954 hun krachten bundelden om de uitgave Nationale snipperdag te maken. Het was een protest tegen het voornemen van de overheid om de Dodenherdenking en Bevrijdingsdag af te schaffen.

Ze schrijft ook over de dekolonisatie, en hoe de politionele acties brede steun kregen in de Nederlandse samenleving. Ook in de literaire tijdschriften klonken er weinig proteststemmen, maar ze zijn er wel. In 1958 debuteert Jan Wolkers als toneelschrijver in Podium met ‘Mattekeesjes, of de zielenreinigingen van de Nederlandse klamboemaatschappij’, een felle kritiek op de Nederlandse aanwezigheid in Nieuw-Guinea. Tien jaar daarvoor was Lucebert gedebuteerd in het tijdschrift Reflex, met het gedicht ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’, dat Groos interpreteert als een protest tegen de militaire politiek van Nederland in Indië.

De laatste casus is de Koude Oorlog. Het leek vanzelfsprekend dat Nederland daarin de kant van de Amerikanen koos, maar in de literaire tijdschriften waren tegengeluiden te horen. De duidelijkste voorbeelden: de essays van J. B. Charles die hij later zou bundelen in Volg het spoor terug. Hij pleit hierin voor een ‘derde weg’. In de poëzie treft Groos opnieuw bij Lucebert de meest uitgesproken vorm van literair engagement aan.

Het zou naïef zijn om overhaast te concluderen dat er in de jaren vijftig sprake is van literair engagement, omdat er essays in literaire tijdschriften staan. Uiteraard moeten die essays dan ook literair zijn. Het is lastig om hiervoor een duidelijk criterium te geven, maar Groos is wel heel ruimhartig. Veel teksten die zij bespreekt zijn journalistiek en dat verzwakt haar betoog nogal. En dat geldt ook voor het feit dat zij een blad als Blurb uitsluit van haar onderzoek, ‘omdat ze geen politiek-maatschappelijke pretenties hadden’. Dat kan natuurlijk niet: je mag geen bewijs uitsluiten dat tegen je hypothese pleit.

Kern van haar betoog vormt de interpretatie van Lucebert. Groos leest zijn gedichten alsof het vanzelfsprekend is dat die een ander doel dienen dan literatuur. Dit vooronderstelt een discutabele opvatting van literatuur waarbij literaire kwaliteit van ondergeschikt belang zou zijn en literatuur een middel dat een doel buiten de literatuur dient.

Banale standpuntjes

Er bestaat ook een heel andere interpretatie, die Groos wel noemt, maar die zij zonder argumentatie afwijst. In Het complot van de vijftigers, een voortreffelijke studie uit 1979, schrijft Redbad Fokkema: ‘In deze lezing staat het engagement van Lucebert ten dienste van de literatuur.’

Wie heeft gelijk? Het ‘bewijs’ dat Groos voor haar lezing van Lucebert geeft, bestaat uit haar eigen interpretaties van zijn gedichten. Maar die vooronderstellen al dat Lucebert geëngageerd is en dat verklaart ook waarom ze geen enkel oog heeft voor de literaire kwaliteit van zijn gedichten. In haar interpretaties trivialiseert ze Luceberts poëzie tot banale standpuntjes als ‘De communistische leer is in de praktijk net zo verstikkend als elke andere ideologie.’ Bij Fokkema’s interpretatie komt de grootheid van de dichter Lucebert wél in beeld. Maar dit is geen bewijs. Het valt niet te ontkennen dat Lucebert een gedicht over Indië heeft geschreven. Maar is dat een onderwerp dat hem de gelegenheid gaf zijn poëtische talent te etaleren of gebruikte hij die, omdat hem het lot van de Indonesiërs na aan het hart lag?

Groos’ boek roept heimwee op naar de tijden waarin literaire tijdschriften gelezen en besproken werden. Een tijdschrift is een voorwerp dat je liefdevol ter hand neemt, dat jou tegemoet treedt met een eigen gezicht en dat een lezer iets te zeggen heeft.

Dat geldt niet alleen voor literaire tijdschriften, maar eigenlijk voor alle bladen. In de inleiding tot De stem van de student. Nederlandse studentenbladen in de negentiende eeuw benadrukt Annelies Noordhof-Hoorn het belang van papieren studentenbladen, die een band scheppen, diepgang geven en leiden tot discussies op een manier die nooit kan worden overgenomen door digitale ‘bladen’.

Haar proefschrift is een liefdevolle geschiedenis die begint aan het eind van de achttiende eeuw. Zoals vaak kwam de belangrijkste impuls tot het maken van bladen van de studenten zelf. Uit lokale initiatieven werden landelijke studentenbladen geboren in de tweede helft van de negentiende eeuw. Studentencorpora hadden almanakken, maar begonnen ook bladen te maken, waarna vrijwel alle studentengeledingen volgden, zoals het illustere Propria Cures in Amsterdam, dat in 1890 werd opgericht en nog steeds leeft. Propria Cures is altijd geëngageerd geweest, en dikwijls literair. Het is eigenlijk vreemd dat Marije Groos het blad niet in haar onderzoek heeft betrokken.

    • Menno Lievers