Opinie

    • Jutta Chorus

De hulpverlener heeft het altijd gedaan

Op een kruispunt in het centrum van Rotterdam valt een kledingkast uit de achterbak van een stationcar. Spitsuur, stromende regen. De bestuurder stapt uit, probeert de kast schuldbewust terug te duwen. Het lukt niet. Getoeter. Mannen in pakken sturen hun BMW’s en Audi’s om de stationcar heen. Hun pak mocht eens nat worden.

Chantal van het Zandt zet haar auto op de handrem, spreekt haar kinderen op de achterbank toe en gaat de man met de kast helpen. Ze is de enige. Iedereen ziet het, niemand stapt erop af. Ja, de man had de kast met een touw vast moeten sjorren. Hij had er beter over na kunnen denken. „Maar dit is een ongelukje”, zegt ze. „Help hem.”

Chantal van het Zandt heeft een huisartsenpraktijk in de Rotterdamse wijk Prinsenland. Ik zoek haar af en toe op als ik met haar over iets uit het nieuws wil praten. Zoals deze week. Een Heerlense moeder wurgde haar zoontje. De hulpverlening krijgt de schuld. Een achtjarig meisje, dood onder aan een flatgebouw in Hoogeveen. Haar moeder labiel en aan alcohol verslaafd. Haar vader afwezig. Inspectie, hoogleraren, familieleden van het meisje beschuldigen de twintig hulpverleners die niet zouden hebben ingegrepen.

Zelf is Van het Zandt behalve burger ook hulpverlener. In haar praktijk ziet ze de worstelende alleenstaande ouders, soms depressief, soms verslaafd aan alcohol of verdovende middelen. Ze ziet kinderen, soms met brandwonden, ontstaan bij het koken. „Waarom kookt een kind van tien”, vraagt ze dan aan de moeder of vader. Soms met voor de derde keer een botbreukje. Sommige kinderen zijn nu eenmaal onhandig.

En soms zie je het niet, terwijl er wel iets aan de hand is, zegt ze. „De kinderen die opvallen, zijn vaak de kinderen die niet opvallen.” Ze zijn te stil of te lief of te braaf. Als zo’n kind hechtingen komt laten verwijderen, knoopt ze een praatje aan.

Het moeilijkste vindt Van het Zandt om ouders met die verwaarlozing te confronteren, zodat zij vrijwillig meewerken. „Dat je kijkt of er een lieve vader is die het even over kan nemen. Of dat de kinderen bij oma kunnen logeren.”

Meldcodes en richtlijnen – de protocollen die de samenleving de illusie van complete veiligheid geven – zijn volgens haar nooit afvinklijstjes. „Ga ervan uit dat hulpverleners daarmee niet hun verantwoordelijkheid wegschrijven. Dat ze zich werkelijk betrokken voelen.”

Ze is sceptischer over buren en toeschouwers, zoals de automobilisten die de man met de kast in de regen lieten staan. „Als je een kind om hulp hoort roepen in de nacht, ga je ernaar toe. Burgers die recht hebben op hypotheekrente-aftrek, hebben ook de plicht bij onraad in actie te komen.”

    • Jutta Chorus